Bij De Telegraaf ligt de rode loper voor Clintel altijd klaar (Klimaatverandering blog)

De Telegraaf en Clintel zijn dikke maatjes. Clintel-duo Berkhout en Crok kreeg in twee weken tijd drie keer de ruimte om uit te pakken met klimaatfabeltjes, in twee opiniestukken en een redactioneel verhaal. Marcel Crok kwam aan het woord in het redactionele verhaal dat over het nieuwe IPCC-rapport gaat. De strekking van het verhaal is dat ‘rampscenario’s leidend’ zouden zijn in dat rapport.

Marcel Crok snijdt zichzelf daarin pijnlijk in de vingers met een typisch gevalletje de pot verwijt de ketel. Het IPCC schijft: “Human influence very likely contributed to the decrease in Northern Hemisphere spring snow cover since 1950”. Crok noemt dat een cherry-pick, want volgens ‘veelgebruikte data van de Amerikaanse Rutgers University’ zou er in de wintermaanden juist een kleine toename van de sneeuwbedekking zijn. En dat is de echte cherry-pick. Het IPCC kijkt namelijk niet alleen naar die ene dataset, maar naar alle gegevens die er zijn. En in dat totaal zijn de ‘veelgebruikte data’ van Rutgers de uitzondering. Het IPCC houdt wel rekening met die gegevens en schrijft dan ook (2.3.2.2 p. 2-62) dat er een aanzienlijke onzekerheid is over de trends vanaf 1978 voor de maanden oktober tot en met februari. Maar dat doet niet af aan de constatering dat er, op basis van alle informatie, een afname is als je het over het hele jaar bekijkt. In hoofdstuk 9 van het rapport is te lezen en te zien (zie figuur 9.23 hieronder) dat de trend voor alle maanden van het jaar negatief is.

https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2021/08/ipcc_ar6_fig_9_23.png?w=500



In het artikel komen ook anderen aan het woord, opvallend genoeg net de mensen die Crok zelf ook heel vaak citeert. Roger Pielke Jr klaagt dat het IPCC de nadruk zou leggen op het meest extreme emissiescenario. Dat hoogste scenario is ‘niet realistisch’ is de klacht. Wie de werkelijke broeikasgasuitstoot vergelijkt met IPCC-scenario’s uit het verleden kan alleen maar concluderen dat het zeker niet het minst realistische scenario is. De realiteit ligt namelijk, zoals dat in de geschiedenis bijna altijd het geval is geweest, veel dichter bij het hoogste dan bij het laagste scenario uit het rapport. En toch heeft dat het IPCC er niet van weerhouden om in het nieuwe rapport een nog optimistischer scenario, met nog minder emissies, toe te voegen. De crux blijft natuurlijk dat de scenario’s geen voorspellingen zijn, maar alleen bedoeld om de volledige bandbreedte in kaart te brengen van mogelijke toekomstige emissies. Het IPCC doet helemaal geen uitspraken over welk scenario meer of minder waarschijnlijk is.

Wel is het zo dat het nieuwe rapport apart aandacht besteedt aan worst-case scenario’s. Terecht, omdat die relevant zijn voor de besluitvorming. Scenario’s met een kleine kans en grote gevolgen kunnen nu eenmaal zwaar meewegen in een risico-analyse, omdat de definitie van risico nou eenmaal kans maal gevolg is. En het IPCC maakt voldoende duidelijk dat dergelijke worst-case scenario’s onwaarschijnlijk zijn, maar niet helemaal uitgesloten.

Een ander punt van kritiek is dan nog dat het IPCC geen rekening zou houden met een schatting van Bjorn Lomborg, dat het aantal extra doden door hitte kleiner zou zijn dan het aantal doden dat minder valt door kou. Waarom dat niet wordt genoemd in het rapport is goed te verklaren: dit soort gevolgen van klimaatverandering valt buiten het aandachtsveld van IPCC Werkgroep I. Anders dan hij beweert neemt het gezondheidsrisico sterker toe bij meer hitte (in de zomer) dan dat het afneemt bij minder kou (in de winter).

De verslaggevers van De Telegraaf doen zelf ook nog een misleidende duit in het zakje. Dit geven ze als verklaring waarom het IPCC-rapport nu uitkomt: “Om wereldleiders, diplomaten en lobbyisten te overtuigen van de noodzaak van klimaatbeleid, legt het IPCC nu alvast de belangrijkste conclusies op tafel.”. De realiteit is heel anders: het IPCC voorziet de wereldpolitiek van objectieve, wetenschappelijke informatie, omdat die daarom heeft gevraagd. Veel subtieler is het antwoord dat ze geven op de vraag of klimaatverandering al invloed heeft op bijvoorbeeld bosbranden en overstromingen. Eerst melden ze dat het IPCC aangeeft dat daarover nog veel onzeker is, om dan af te sluiten met: “De voorspelling is wel dat als de huidige opwarming doorzet, dergelijke weersextremen vaker zullen voorkomen.” Hoewel het er niet letterlijk staat, is de suggestie dat de onzekerheid impliceert dat de menselijk invloed nu nog beperkt is. Maar afwezigheid van bewijs is geen bewijs van afwezigheid. Er zitten twee kanten aan die onzekerheid: de menselijk invloed in het huidige klimaat op dit soort gebeurtenissen kan kleiner, maar ook groter zijn dan wordt gedacht. Maar goed, misschien mag je de Telegraaf-journalisten dit laatste puntje niet echt aanrekenen, omdat het vooral illustreert hoe lastig het is om hier goed over te communiceren.

De twee opiniestukken van Clintel komen van Guus Berkhout. Op 17 juli pleit die, naar aanleiding van de overstromingen in Duitsland, België en Limburg, voor dweilen met de kraan open. Berkhout doet net alsof het nieuws is dat we ons aan moeten passen aan klimaatverandering. Natuurlijk moet dat. Nederland is daar ook al enkele decennia mee bezig. We moeten vooral hopen dat beleidsmakers daarbij niet teveel luisteren naar lieden als Berkhout, die immers al jaren roepen dat het allemaal wel los zal lopen met de gevolgen van klimaatverandering. Het is behoorlijk schaamteloos dat uitgerekend Berkhout nu anderen verwijt dat de aanpassing aan klimaatverandering niet snel genoeg gaat.

Gelukkig is er in Nederland wel geanticipeerd op de voorspelbare gevolgen van het warmer wordende klimaat. Adaptatie maatregelen zoals Ruimte voor de Rivier hebben in Nederland tijdens de hevige buien vorige maand nog veel ergere schade voorkomen. Maar als we even proberen door te spoelen naar de toekomst, met een steeds sneller stijgende zeespiegel waar de rivieren hun water op moeten proberen te lozen, dan zullen we het met alleen adaptatie niet redden. Of slechts tegen exorbitant hoge kosten.

Om ook op de langere termijn droge voeten te houden zullen we naast adaptatie tegelijkertijd de oorzaak van het toenemen van weersextremen moeten aanpakken door de uitstoot van broeikasgassen fors naar beneden te brengen. Doen we dat niet, dan zadelen we onszelf en onze nazaten op met een steeds groter en duurder wordend probleem, waardoor uiteindelijk zelfs de leefbaarheid van onze delta op het spel komt te staan.

Het tweede stuk gaat over de ‘warm lopende’ klimaatmodellen van CMIP6, waar wij in februari 2020 al over schreven. Berkhout beweert dat die het gelijk van pseudosceptici zouden bewijzen. Niets is minder waar. In tegenstelling tot wat pseudosceptici graag suggereren geloven klimaatwetenschappers niet blindelings hun modellen. Volgens Berkhout zouden klimaatwetenschappers nu ‘toegeven’ dat modellen een te hoge klimaatgevoeligheid berekenen. De realiteit is dat klimaatwetenschappers vanaf het allereerste moment dat er nieuwe modelresultaten naar buiten kwamen hebben gezegd dat een aantal modellen wel op een erg hoge klimaatgevoeligheid uitkwam. En dat daar kritisch naar gekeken moest worden. Die klimaatwetenschappers beschuldigt Berkhout er nu, zonder enige reden, van dat ze klimaatmodellen de afgelopen decennia ‘stap voor stap alarmistischer’ gemaakt zouden hebben. Je zou er bijna om lachen als het niet zo diep triest en onzinnig was. Een van die wetenschappers is NASA’s Gavin Schmidt, die Berkhout in zijn stuk erg selectief citeert. Wie echt wil weten hoe integer en genuanceerd Schmidt is kan zijn blog hierover lezen op RealClimate. Het artikel in Science waar hij aan het woord komt en waar Berkhout selectief uit citeert is ook de moeite waard.

Het heeft allemaal geen enkele invloed op de betrouwbaarheid van het nieuwe IPCC-rapport. In de schatting van de klimaatgevoeligheid is rekening gehouden met het feit dat een aantal modellen vermoedelijk te hoog zit. Ook voor toekomstprojecties is hier rekening mee gehouden, door modellen met een te hoge klimaatgevoeligheid minder of zelfs helemaal niet mee te wegen (zg ‘constrained projections’). De realiteit is natuurlijk dat Berkhout zijn misleidende verhaal alleen maar heeft kunnen schrijven dankzij de openheid en integriteit van klimaatwetenschappers. Wetenschappers die de problemen met een aantal modellen – lang niet allemaal, trouwens – naar buiten brachten zodra ze die zagen. En die er natuurlijk in hun projecties rekening mee houden.

https://klimaatveranda.nl/2021/08/12/bij-de-telegraaf-ligt-de-rode-loper-voor-clintel-altijd-klaar/

RCP8.5: worst case, business as usual of foute voorspelling? (Klimaatverandering blog)

https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2020/02/rcpemissions.png?w=500&h=180

Er woedt al een tijd een pittige discussie onder energie- en klimaatdeskundigen en hun volgers over de RCP-emissiescenario’s, die onder meer zijn gebruikt in het vijfde Assessment Report van het IPCC. Het gaat dan met name over het hoogste scenario, RCP8.5. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat we hier te maken hebben met wat Stephan Lewandowsky ooit “seepage” noemde: een pseudosceptisch frame dat binnensijpelt in de wereld van de wetenschap. Dat pseudoscpetische frame komt er op neer dat RCP8.5 een foute voorspelling is. Dat is nonsens.

Scenario’s zijn geen voorspellingen. Er wordt juist met verschillende scenario’s gerekend omdat de menselijke keuzes grotendeels bepalend zullen zijn voor de toekomstige emissies en concentraties van broeikasgassen onvoorspelbaar zijn. Het simpele feit dat er uiteenlopende scenario’s zijn die onmogelijk allemaal uit kunnen komen zou voldoende moeten zijn om te beseffen dat ze niet bedoeld zijn als voorspelling. Maar toch blijft de suggestie van de foute voorspelling, van de overdreven pessimistische klimaatwetenschap, maar terugkomen. Het spiegelbeeld van die suggestie, dat klimaatwetenschappers veel te optimistisch zouden zijn omdat in onderzoeken ook vaak het laagste scenario RCP2.6 wordt meegenomen, zie je zelden of nooit. En dat terwijl de werkelijke emissies nog altijd een stuk dichter bij het hoogste dan bij het laagste scenario liggen, zeker als ook emissies van ontbossing worden meegenomen.

https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2020/02/epe0okcuyaaqgki.jpg?w=500&h=196

Het tekent de moeite die de maatschappij en de wetenschap blijken te hebben met het benoemen van risico’s. En de gevoeligheid die er nog steeds is voor het verwijt van bangmakerij. Het is natuurlijk ook een lastige kwestie, omdat mensen zo verschillend reageren op informatie over risico’s. De communicatie hierover blijft dan ook een mijnenveld, tussen wetenschappers onderling én tussen wetenschap en maatschappij.

Zeke Hausfather en Glen Peters begaven zich deze week in dat mijnenveld, met een commentaar in Nature. Het leverde nogal tendentieuze koppen op, onder meer bij de BBC en in De Volkskrant. En hoewel Hausfather en Peters zeker een aantal zinnige punten maken, is de angst om weggezet te worden als paniekzaaier tussen de regels door wel te zien in hun stuk. Ik betwijfel of die angst een goede raadgever is.

Een belangrijk punt van Hausfather en Peters is het zorgvuldig benoemen en omschrijven van een scenario als RCP8.5. De omschrijving “business as usual” die nogal eens wordt gebruikt vinden ze niet correct. En daar hebben ze zeker een punt. Overigens hebben de ontwikkelaars van de RCP-scenario’s en het IPCC die omschrijving ook nooit gebruikt. Maar in wetenschappelijke artikelen en berichten in de media komt hij wel regelmatig voor. Vooral uit gewoonte, zo vermoed ik. “Business as usual” was in het verleden namelijk wel een voor de hand liggende benaming voor het hoogste scenario, dat uitging van de groei van emissies zonder enig klimaatbeleid. In het eerste IPCC-rapport, uit 1990, werd die benaming bijvoorbeeld gebruikt. Maar de wereld zag er destijds anders uit. Er waren nog geen internationale klimaatafspraken, laat staan dat er ook maar iets was dat op het begin van een energietransitie leek. Er was ook maar bar weinig reden om aan te nemen dat zo’n transitie zonder internationaal klimaatbeleid op gang zou komen. Een beleidsarm scenario (in het Nederlands ook wel aangeduid als “autonome ontwikkeling”) zou destijds dus naar alle waarschijnlijkheid neerkomen op de verdere ontwikkeling van een volledig op fossiele brandstof gebaseerde wereldeconomie.

Maar sindsdien is er wel het nodige gebeurd. Het klimaatverdrag van Kyoto uit 1997 was voor sommige landen al een aanzet om voorzichtig met de energietransitie te beginnen, en met het afsluiten van het klimaatakkoord van Parijs sprak de hele wereld een stevige ambitie uit. Natuurlijk valt het nog te bezien of die ook wordt waargemaakt, maar het ligt inmiddels zeker niet meer voor de hand dat “business as usual” neerkomt op een volledig fossiele economie. Er zijn zelfs mensen die menen dat de ontwikkeling naar duurzame technologie en energie inmiddels niet meer te stoppen is, dat het een autonome ontwikkeling zal zijn die ook zonder enig overheidsbeleid door zal gaan. Het “usual” in “business as usual” heeft geen eenduidige betekenis meer en dus is het geen goed idee om zo’n verwarrende term te blijven gebruiken.

Meer moeite heb ik met de suggestie van Hausfather en Peters dat RCP8.5 vaak als het meest waarschijnlijke scenario gepresenteerd zou worden. Naar mijn beste weten wordt in de wetenschappelijke literatuur, en zeker in IPCC-rapporten, geen uitspraak gedaan over welk scenario meer of minder waarschijnlijk is. Het komt wel nogal eens voor dat onderzoeken alleen het hoogste en laagste emissiescenario laten zien, maar dat is best logisch: op die manier krijgt men een beeld van de hele bandbreedte aan mogelijk uitkomsten. Om in te zien dat andere scenario’s tussen die uitersten liggen hoef je ze niet noodzakelijk expliciet mee te nemen.

En als een onderzoek alleen het hoogste scenario bekijkt betekent dat nog niet dat men dat scenario ook tot het meest waarschijnlijke uitroept. Er kunnen andere legitieme redenen voor zijn. Wetenschappelijk gezien kan het simpelweg interessant zijn om het effect van een ingrijpende verandering door te rekenen. Neem, ter vergelijking, het voorbeeld van een productontwikkelaar die een nieuw additief voor, pak ‘m beet, een wasmiddel onderzoekt. Bij de eerste experimenten zal zo iemand een flinke dosis toevoegen, om daarmee direct een duidelijk beeld te krijgen van het effect. Bij een lage dosis beginnen is niet handig, want dan weet je nog niks als er geen effect te zien is. Dat klimaatonderzoekers regelmatig eenzelfde benadering kiezen voor modelexperimenten is alleen maar logisch: zo kunnen ze in één keer zien of een verwacht effect zich voor zou kunnen doen. Aanvullend onderzoek kan vervolgens eventueel meer de nuances opzoeken. Dat heeft niets met overdrijving of pessimisme te maken. Zo’n onderzoek een beetje handig presenteren is dan natuurlijk wel belangrijk.

De onderliggende boodschap van Hausfather en Peters lijkt te zijn dat scenario’s realistischer moeten zijn. Ik heb daar mijn twijfels over. Omdat daarmee in mijn ogen de grens tussen voorspelling en scenario vervaagt. Dat zou de verwarring juist in de hand kunnen werken. Het is ook maar de vraag of toekomstige emissies en concentraties wel zo voorspelbaar zijn als Hausfather en Peters lijken te denken. Dat is een kanttekening die ook Michael Mann maakt. Daarbij wijst hij op nog een belangrijk punt: de C in RCP staat voor “concentration”. Hoeveel de CO2-concentratie nog zal stijgen hangt niet alleen af van onze emissies, maar ook van mogelijke terugkoppelingen in de koolstofcyclus. Denk aan CO2 die vrijkomt bij bosbranden, of bij het ontdooien van permafrost.

Vanuit de risico-benadering is het belangrijk om de volledige bandbreedte aan mogelijke uitkomsten te onderzoeken en niet alleen wat, al dan niet terecht, als meest waarschijnlijke uitkomst wordt gezien. En in een risico-analyse wegen juist de worst-case scenario’s zwaar.

Het enige onontkoombare feit in deze discussie blijft dat niemand met zekerheid kan zeggen hoe emissies en concentraties in de toekomst zullen verlopen. De mens is op dit moment de meest onvoorspelbare factor in het klimaat, en dat zullen we nog wel een tijdje blijven.

https://klimaatveranda.nl/2020/02/02/rcp8-5-worst-case-business-as-usual-of-foute-voorspelling/

Californië wordt heter en droger – en dan is één vonk genoeg (Klimaatverandering blog)

Gastblog van Rolf Schuttenhelm

https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2019/11/californische-bosbrand-2013.jpg?w=500&h=281

Foto van een bosbrand bij Yosemite National Park in 2013. De grootste brand van dat jaar is de tot nog toe zesde meest omvangrijke bosbrand in Californië – overtroffen door onder andere branden in 2018 en 2019 – en begon uit een kampvuurtje van een jager. De grootste bosbrand van 2018 valt te herleiden tot een vonk van een hamer op een ijzeren paal. En dit jaar worden de elektriciteitskabels genoemd. Maar valt daarmee te verklaren dat het aantal bosbranden nu gemiddeld acht keer zo groot is als in de jaren 70? Een vonk richt weinig uit als die op een vochtige bosbodem valt (het werkelijke ‘geheim van de Finnen’). Bron afbeelding: US Department of Agriculture.

De Amerikaanse staat Californië wordt momenteel weer geteisterd door uitzonderlijke felle bosbranden. Maar waren Californische bosbranden vorig jaar niet ook groot nieuws? En de jaren ervoor? Is er sprake een toename, en zo ja, wat is de oorzaak?

Ja, inderdaad zijn er nu twee jaren op rij waarin grote delen van de Californische bossen in rook opgaan – en ook over een wat grotere tijdschaal nemen de bosbranden in Californië toe. Het jaarlijks verbrande gebied is nu vijf keer zo groot als in de jaren 70, met tussen 1972 en 2018 een achtvoudige toename in zomerse bosbranden. De huidige bosbranden niet meegerekend, hebben 12 van de 15 grootste Californische branden plaatsgevonden sinds het jaar 2000.

In de zoektocht naar de oorzaken van de natuurbranden komt al gauw een afkorting naar boven: PG&E. Dat staat voor Pacific Gas & Energy, een energiebedrijf dat verantwoordelijk is voor een deel van de elektriciteitskabels die door de Californische bossen lopen, waar vaak de term ‘utilities’ voor wordt gebruikt. Omdat PG&E deze infrastructuur slecht zou onderhouden, kunnen boomtakken de bedradingen raken, waardoor vonken overspringen en branden ontstaan.

Trump: de Finnen harken hun bossen, en hebben geen last van branden

Daarbij kun je je afvragen wat dan specifiek het probleem is: de elektriciteitskabel, de boom – of misschien een onderliggende factor. En zo komt ook de politieke verdeeldheid in de VS naar boven. Vorig jaar gooide president Trump de knuppel in het hoenderhok, toen hij een verbrand dorp bezocht en zei dat de toename van de branden niet door klimaatverandering komt, maar door ‘slecht bosbeheer’.

Volgens Trump gaat het om de bosbodems, die je moet opruimen. Hij verwijst daarbij naar een gesprek met de president van Finland, waar ze veel tijd zouden besteden aan het harken van de bosbodems – en niet zo veel branden hebben.

Trump heeft ook bij de huidige branden herhaald dat het probleem de bosbodems zijn, die moeten worden schoongemaakt. Zo lang dit niet gebeurt hoeft de (Democratische) gourverneur van de staat niet te rekenen op financiële ondersteuning in de bestrijding van de branden (ook al is het merendeel van de Californische bossen officieel in beheer van de federale overheid). In conservatieve media gaat het vaak nog een stap verder – daar wordt onder andere gesteld dat de bosbranden de schuld zijn van milieubeschermers, die houthakkers hebben verdreven.

In deze media is verhoudingsgewijs weinig aandacht voor berichten van bijvoorbeeld de bossendienst van het Amerikaanse landbouwministerie en de National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA), die samen met veel andere wetenschappers óók kijken naar de onderliggende oorzaken van de toename in bosbranden.

Klimaatverandering is een van de oorzaken van de bosbranden

Terwijl uit dat onderzoek op zich een genuanceerd beeld naar boven komt, dat de New York Times samenvat in een artikel met de veelzeggende titel “Are wildfires caused by utilities or climate change? Yes” – beide oorzaken voor de bosbranden bestaan naast elkaar. Het slechte onderhoud van elektriciteitskabels is een factor, net als klimaatverandering: de Californische bossen worden niet alleen warmer, maar ook droger. En dan heeft een vonk van een elektriciteitskabel of een hamer op een ijzeren paal een aanzienlijk groter effect.

Hoe groot is dan die rol van klimaatverandering? Volgens de US National Climate Assessment van 2018 verklaart klimaatverandering ongeveer de helft van de toename van bosbranden in het westen van de VS, zoals onderstaande grafiek illustreert:

https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2019/11/nca2018_figure25_4.png?w=500&h=255

Cumulatief verbrand bosoppervlak in het westen van de VS in de periode 1984 -2015 en de invloed daarop van klimaatverandering. Bron: U.S. Global Change Research Program, Fourth National Climate Assessment.

En afgelopen zomer verscheen een studie onder leiding van het Lamont-Doherty aardobservatorium van de Columbia Universiteit die het mechanisme toelicht. Ze beschrijven dat het warme seizoen in Californië sinds het begin van de jaren 70 gemiddeld 1,4 graden warmer is geworden – een opwarming die het gevolg is van de mondiale klimaatverandering.

Dit heeft volgens de onderzoekers geleid tot een significante stijging van het ‘dampdruktekort’ – warmere lucht kan meer vocht opnemen, waardoor de bladeren van planten meer water verliezen via verdamping en dus ook meer vocht moeten opnemen via hun wortels.

Als gevolg is het hele bossysteem, inclusief de bodems, tegenwoordig structureel droger. En dan is soms een enkele vonk genoeg. Het Californische bosbrandprobleem is daarmee ook bepaald niet voorbij. Volgens deze onderzoekers bestaat in de Californische zomer een exponentieel verband tussen het bosbrandoppervlak en het dampdruktekort. Dat belooft weinig verbetering naarmate de temperatuurstijging doorzet en het vochttekort toeneemt.

Updated animation showing the shift towards hotter & drier conditions in California, and the tendency for the worst wildfires to occur in the hottest and driest years.

2019 has been wetter and less warm than most recent years. #CaliforniaFires pic.twitter.com/oIbqcQ7Xmu

— Robert Rohde (@RARohde) November 7, 2019

En wereldwijd? Daar wordt het nog iets complexer, omdat er altijd veel meer factoren meespelen. Zo nemen Afrikaanse savannebranden af door… de afname van savanne-oppervlak (door de toename van landbouwgronden). Branden op de taiga hebben een relatief sterke relatie met de mondiale opwarming, en zijn er mede verantwoordelijk voor dat 2019 op weg is het grootste brandjaar te worden sinds 1998 (toen een krachtige El Niño onder andere aanleiding gaf tot grootschalige bosbranden op Borneo en Sumatra) – zo meldde het KNMI vorige maand in een speciaal bericht over de complexe bosbrandtrend.

Australië: na een extra heet jaar blijft de regen op afstand

En daar komen nu de felle branden in het oosten van Australië nog bovenop. Ook die hebben vaak een relatie met El Niño, maar daar is nu officieel geen sprake van. Maar als je kijkt naar de actuele zeewatertemperatuurafwijkingen valt wel een lokaal patroon op dat er een beetje op lijkt: het water in de Koraalzee is iets frisser dan normaal.

Dat bevordert de opbouw van hoge luchtdruk, waardoor de moessonregens, die normaal gesproken medio november bij de Australische noordkust arriveren, voorlopig boven Nieuw-Guinea blijven hangen. Zo wordt het droge seizoen langer, terwijl het door recente hitterecords ook intenser is. Die eerste factor is natuurlijk, de tweede niet. Zo hebben bosbranden wel vaker een mengeling van oorzaken, waaronder een tamelijk grote elephant in the room. Nee, niet die hark. Hitte.

https://klimaatverandering.wordpress.com/2019/11/10/californie-wordt-heter-en-droger-en-dan-is-een-vonk-genoeg/

De onheilsprofeet, het andere uiterste in het klimaatdebat (Klimaatverandering blog)

https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2019/05/41v3t0y30l.jpg?w=200&h=300

Als we hier kritiek hebben op iemand die het niet zo nauw neemt met de feiten of de wetenschap rond het klimaat en klimaatverandering, dan gaat het vrijwel altijd om iemand die de menselijke invloed op het klimaat ontkent of minimaliseert, of die de gevolgen ervan bagatelliseert. Goed, incidenteel is er wel eens een politicus die de verwachte zeespiegelstijging veel te hoog inschat, en er komt wel eens iemand voorbij die zich heel nadrukkelijk op worst-case scenario’s richt, maar dat zijn uitzonderingen. Toch is het niet zo dat we dat ene uiterste bewust opzoeken om op te reageren. We komen het gewoon regelmatig tegen, in de media bijvoorbeeld, of in de politiek. Het andere uiterste veel minder.

Een kanttekening: worst-case scenario’s of staartrisico’s zijn wetenschappelijk interessant en relevant vanuit het oogpunt van risicomanagement. En dus kunnen ze ook nieuwswaardig zijn. Waarbij het wel de vraag is tot hoever dat het geval is – hoe onwaarschijnlijk moet iets zijn om het niet meer als scenario te beschouwen dat serieus te nemen is – en wat de goede toon is om erover te berichten. Mijn antwoord daarop is: ik weet het niet. Het enige dat ik daarover weet is dat het onmogelijk is om het voor iedereen goed te doen. Zolang er bij zulke scenario’s duidelijk wordt aangegeven dat het geen harde voorspelling is, maar dat de kans dat het werkelijk gebeurt juist klein is, is een bericht erover in principe niet in strijd met de wetenschap.

Als een worst-case scenario wordt gepresenteerd als een onontkoombare ontwikkeling wordt de wetenschap wel geweld aangedaan. En wanneer er nog een flinke schep bovenop zo’n scenario wordt gedaan is dat ook het geval. Er zijn mensen die zulke verhalen ophangen, maar ze trekken daarmee, zoals gezegd, niet veel aandacht. Ze komen op dit blog daarom ook maar weinig aan de orde. Maar het is best interessant om ook eens te kijken hoe er aan die uiterste zijde gedacht en geredeneerd wordt. Het is immers ook een stem in het klimaatdebat.

Toen enkele weken geleden een bezoeker van dit blog ons een mailtje stuurde met niet alleen de vraag of we wel eens van Guy McPherson hadden gehoord, maar ook met het aanbod om een boek van hem op te sturen, ben ik op dat aanbod ingegaan. De afgelopen weken heb ik me door dat niet al te dikke boek heen geworsteld. McPherson is de naam die in de Engelstalige klimaatblogosfeer meestal wordt genoemd als voorbeeld van het andere uiterste. Michael Tobis heeft enkele jaren geleden eens een lang stuk geschreven met weerleggingen van McPherons claims. En Michael Mann noemde hem als iemand wiens doemverhalen net zo schadelijk kunnen zijn als ontkenning.

Ik was dus voorbereid op een hele hoop onwetenschappelijke nonsens toen ik aan het boek, met de titel “Only Love Remains: Dancing at the Edge of Extinction”, begon. Dat is uiteindelijk best meegevallen. Niet omdat McPherson meer wetenschappelijke inzichten heeft geaccepteerd. Maar omdat het klimaat niet het belangrijkste onderwerp van het boek is. Het hoofdonderwerp van Guy McPherson is: Guy McPherson. En hij is diep onder de indruk van zijn hoofdonderwerp. In zijn jonge jaren was de McPherson uit het boek natuurlijk de quarterback van het lokale football-team. Hij redde een vriendinnetje van zijn zus van de verdrinkingsdood en hielp bij het bestrijden van bosbranden. Vervolgens werd hij een briljante student, die zich ontwikkelde tot topwetenschapper in misschien wel het meest complexe en belangrijkste wetenschapsgebied: natuurbescherming. En hij was ook nog eens een geweldige docent die een diepe en blijvende indruk maakte op zijn studenten. Na zijn vrijwillige vertrek van de universiteit (waar overigens wel een complot achter zat van de “deep state”; details geeft het boek niet) begon hij een boerderij en was hij binnen twee jaar een expert in het maken van mozzarella. En feta. En parmezaan. En ondertussen bleef hij levens veranderen van de mensen die naar hem wilden luisteren.

McPherson vindt zichzelf ook volkomen integer en laat niet na om dat keer op keer te melden. Hij presenteert zichzelf daarbij als iemand die alles opoffert voor die integriteit: zijn huwelijk, zijn vrienden, zijn wetenschappelijke carrière en reputatie, zijn comfortabele leven; en hij krijgt bakken met kritiek over zich heen, die in zijn ogen altijd oneerlijk en onredelijk is. Maar hij laat zich niet afremmen door al die tegenspoed en tegenstand! McPherson profileert zich op het karikaturale af als strijder, held, en zelfs martelaar voor zijn waarheid. Die, te oordelen naar dit boek, vooral bestaat uit zijn eigen heldendom en martelaarschap. Het wordt op die manier wel erg moeilijk om de persoon en de boodschap van elkaar te scheiden. Iets waar hij in zijn boek juist voor pleit en waar wij op dit blog meestal ook best voor te vinden zijn.

Dat de egomanie er zo vanaf druipt is ook niet zo handig omdat McPherson de rest van de wereld meermaals hoogmoed verwijt. Ik zie vooral een bevestiging van een patroon dat ook aan dat andere uiterste in het klimaatdebat waarneembaar is: de omvang van het ego is omgekeerd evenredig met de kwaliteit van de argumenten. De manier waarop critici worden afgeschilderd is ook bekend: ze zijn dom of naïef, of anders deugen ze niet. En ze zouden nooit op de inhoud ingaan, een verwijt dat volkomen onterecht is, zie bijvoorbeeld de lange lijst van inhoudelijke kritiekpunten van Michael Tobis waar ik eerder al naar verwees, of blogs van Scott Johnson of James Renwick. Dat er zo hier en daar een complottheorie voorbijkomt had ik al gesignaleerd, dus ook op dat punt lijkt McPherson op dat andere uiterste.

En er is nog een overeenkomst met veel pseudosceptici. McPherson lijkt niet uit de voeten te kunnen met wetenschappelijke onzekerheid. En daarom ook niet met de onzekerheid in toekomstprojecties die daar direct mee samenhangt. Hoop voor de toekomst is irrationeel, vindt hij. Het is een lang verhaal, waarin sterk de indruk wordt gewekt dat rationaliteit altijd zekerheid biedt. Het tegendeel is het geval: echte rationaliteit begint natuurlijk juist met het besef dat absolute zekerheid niet bestaat, zeker niet over de toekomst.

McPherson doet dat niet. McPherson vindt zichzelf dé autoriteit op het gebied van abrupte klimaatverandering die volgens hem op korte termijn tot het uitsterven van de mens leidt. Hij meent dat we als mensheid hooguit nog een jaar of 10 hebben en dat het dan helemaal over is. Een interessante vraag: kan iemand een autoriteit zijn op een onzin-onderwerp? Is Jomanda een autoriteit op het gebied van spirituele genezing?

Zoals gezegd heeft McPherson het in zijn boek nauwelijks over het klimaat. Maar in het eerste hoofdstuk licht hij wel een tipje van de sluier op over zijn argumentatie. Daarbij zoekt hij steeds de uiterste grens op van wat volgens de wetenschap in het ergste geval mogelijk zou kunnen zijn, of hij gaat daar zelfs overheen. Enkele voorbeelden:

  • Hij beweert dat het al 1,7°C warmer is dan aan het begin van de industriële revolutie. De klimaatwetenschap houdt het op ongeveer 1°C.
  • Het verschil tussen de pre-industriële en huidige temperatuur zou al groter zijn dan het verschil tussen ijstijden en interglacialen, dat volgens McPherson maar 1,5°C zou zijn. Klimaatreconstructies komen uit op een verschil in de orde van grootte van 5°C.
  • Aerosolen zouden nog 1°C opwarming door het versterkte broeikaseffect maskeren. Hoe groot de invloed van aerosolen is is een van de meest onzekere factoren in de klimaatwetenschap, maar dat het zo groot is is onwaarschijnlijk. Bovendien suggereert McPherson dat die extra graad opwarming ergens in de komende jaren binnen een periode van 6 weken zal plaatsvinden. Een absurd scenario: het is gebaseerd op de onzinnig aanname dat alle emissies van aerosolen op de hele wereld van het ene op het andere moment stoppen.
  • Versterkende terugkoppelingen in het klimaatsysteem die al meegenomen zijn in projecties van de wetenschap telt hij nog een keer op bij de verwachte opwarming. Hij telt ze dus dubbel.
  • Een worst-case scenario over enorme methaan-emissies uit de poolgebieden die in de verre toekomst (eind deze eeuw of later) zouden kunnen optreden wordt bij McPherson iets waarvan vaststaat dat het in de komende 5 tot 10 jaar zal gebeuren.

Dat alles verwerkt hij tot een doemscenario waarin de menselijk beschaving ten onder gaat, met als gevolg dat uiteindelijk onze technologie zich tegen ons keert. Bijvoorbeeld via meltdowns van alle kerncentrales ter wereld.

Wat opvalt is dat het meest voor de hand liggende scenario waarmee de mensheid zichzelf van de aardbodem zou kunnen vagen niet wordt genoemd: een wereldomvattende kernoorlog. Mij lijkt dat nog het minst onwaarschijnlijke scenario voor ons uitsterven. Maar het lijkt niet te passen in het wereldbeeld van McPherson. Voor hem zijn technologische en economische ontwikkeling Het Kwaad. Blijkbaar kan het niet anders, of moet ook dat kwaad de oorzaak van ons einde zijn.

De beste zin uit het boek is waarschijnlijk deze: “I started with nothing, and I still have most of it left.” Die is gepikt. Zonder bronvermelding. Best slordig, voor iemand die zo hoog opgeeft over zijn eigen integriteit.

https://klimaatverandering.wordpress.com/2019/05/09/de-onheilsprofeet-het-andere-uiterste-in-het-klimaatdebat/