CO2-balans bij gebruik van biomassa als energiebron (Klimaatverandering blog)

Gastblog van Prof. Guido van der Werf

Biomassa is onze oudste bron van energie maar is geleidelijk vervangen door fossiele brandstoffen. De laatste decennia is er weer een opleving van het gebruik van biomassa, met als doel fossiele brandstoffen te vervangen door bronnen met een lagere netto CO2-uitstoot. Biomassa is een containerbegrip met veel verschillende toepassingen, maar in de maatschappelijke discussies gaat het vaak over meestook van pellets (samengeperste stukjes hout) in kolencentrales, en over biomassacentrales op pellets of houtchips voor de productie van warmte. Onlangs is vanuit het PBL een lijvig rapport verschenen onder leiding van Bart Strengers en Hans Elzenga over beschikbaarheid en toepassingsmogelijkheden van alle vormen van biomassa. Het rapport staat uitgebreid stil bij de verschillende perspectieven die een rol spelen bij de beeldvorming. Zo maken sommige mensen zich zorgen over aantasting van natuur en biodiversiteit, of over de invloed van het verbranden van biomassa op luchtkwaliteit. Anderen betwijfelen of het wel bij kan dragen aan het behalen van klimaatdoelen. Dit blog gaat over dat laatste waarbij de nadruk op meestook ligt.

Introductie
Om een mening over meestook en over de gevolgen voor CO2-concentratie en biodiversiteit te vormen is het goed eerst een stap terug te nemen en na te denken over landgebruik en natuurlijke cycli. Laten we beginnen met natuurbranden.

Figuur 1. Oppervlakte dat jaarlijks verbrandt door bos- en graslandbranden, gemiddeld over 2001-2018. De rode kleuren geven de (bijna) jaarlijkse branden in savannegebieden aan, gele en blauwe kleuren zijn vaak in bosgebieden waar brand zorgt voor verjonging en regeneratie van het bos. Let op de logaritmische schaal. Bron: Van der Werf et al. (2017).

Ieder jaar verbrandt op mondiale schaal een oppervlakte gelijk aan de EU (ongeveer 450 miljoen hectare). Voor een groot deel is dit een natuurlijk proces. Hierbij gaat de in biomassa opgeslagen koolstof de lucht in als CO2 en zolang de vegetatie weer aangroeit na de brand wordt die koolstof ook weer opgenomen. Het is deel van een cyclus en beïnvloedt de CO2-concentratie dus niet structureel. De uitzondering daarop zijn de branden die gebruikt worden in het ontbossingproces, en de mogelijke toename van branden door o.a. klimaatverandering. Hierbij wordt de uitstoot maar voor een deel gecompenseerd door aangroei en hierdoor stijgt de CO2-concentratie in de atmosfeer.

Figuur 2. Oppervlakte van het land dat in gebruik was voor landbouw in 2001. Bron: Ramankutty et al. (2008).

Ieder jaar worden gewassen geoogst voor menselijke consumptie over een oppervlakte iets groter dan dat van het een-na-grootste land op aarde, Canada (ongeveer 1100 miljoen ha landbouw exclusief veeteelt, getallen deels afhankelijk van precieze definitie). Hiervan eet de wereldbevolking en een deel van de koolstof in de gewassen gaat dan ook via uitademing weer de lucht in en wordt in het volgende groeiseizoen weer opgenomen. Het is deel van een cyclus, net als de branden hierboven. Initieel zal er wellicht bos voor gekapt zijn dat niet meer terug is gekomen (ontbossing) en ook nu kan er nog bodemkoolstof verloren gaan.

Figuur 3. Percentage van het land dat in gebruik was voor veeteelt. Bron: Ramankutty et al. (2008).

Ieder jaar graast ons vee op een gebied ongeveer ter grootte van Noord- en Zuid-Amerika gecombineerd (ongeveer 4000 miljoen ha, ook dit getal is afhankelijk van definitie en dataset). Dit gebeurt veelal in gebieden die voorheen bos waren, ook nu nog kost expansie van de mondiale veestapel bos. Maar het overgrote deel van het oppervlak uit Figuur 3 is lang geleden ontbost of was eerder grasland; veeteelt op dat eerder ontboste deel heeft geen structurele invloed meer op de CO2-concentratie. Er zijn wel andere structurele emissies in de landbouw- en veeteeltsector. Naast de hierboven genoemde uitstoot uit bodems die van invloed is op de CO2-concentratie gaat het dan met name om methaanuitstoot door herkauwers en natte rijstbouw.

Figuur 4. Bruto afname van het percentage van het oppervlak dat bebost is over de 2001-2018 periode. Let op dat de kleurenschaal tot 50% loopt, niet tot 100% zoals in de vorige grafieken. Bron: Hansen et al. (2013) met jaarlijkse updates.

Ieder jaar gaat ongeveer 20 miljoen hectare bos verloren, een gebied vijf keer Nederland. Een deel daarvan is permanent, zoals aan de randen van de tropische bossen rond de evenaar. Dat noemen we ontbossing en heeft een scala aan oorzaken; houtkap voor hardhout, uitbreidingen van teelt van soja voor veevoer, weidegrond, en voor productie van pulp voor papier en palmolie, etc. Als je Figuur 1 en 4 met elkaar vergelijkt dan zie je ook dat er bruto bos verloren gaat door branden, met name in Canada en Siberië. Die bossen groeien normaal gesproken terug na de brand en dit zorgt voor een gezond ecosysteem. Het verlies van bos wordt in dit geval gecompenseerd door aangroei en netto is er geen afname.

Branden zie je relatief weinig in Scandinavië en de Baltische staten maar daar zie je wel bruto verlies van bos. Dit komt met name door bosbouw voor houtproducten variërend van hoogwaardige producten zoals kozijnen tot laagwaardige brandstof. Dit is net als de bosbranden deel van een cyclus zolang de bossen duurzaam beheerd worden. Dit is dus geen ontbossing. Het is inzichtelijk om zelf naar de data van Figuur 4 te kijken, dat kan met een mooie interface op deze site (aanrader!) Naast het jaar van ontbossing kan je ook naar de balans tussen verlies van bos zoals in Figuur 4 en naar hergroei kijken.

Houtige biomassa
Over houtige biomassa als (rest)product van bosbouw en voor gebruik als brandstof is de afgelopen tijd veel te doen. De verschillende bronnen van biomassa vertegenwoordigen ongeveer 60% van de Nederlandse duurzaam opgewekte energie. Die ratio zien we ook terug in omliggende landen. Meestook in kolencentrales is daar een vrij klein deel van maar zal de komende jaren wel toenemen.

Er is veel kritiek op het gebruik van houtige biomassa, met name houtpellets. In het kort de kritiekpunten:

  • Er gaat subsidie naar toe met mogelijke perverse prikkels tot gevolg, bijvoorbeeld een toename in oogstintensiteit.
  • Een beheerd bos heeft minder biodiversiteit dan een natuurlijk bos; zelfs dood hout op de grond vervult nuttige functies.
  • Het zorgt voor luchtvervuiling.
  • Op het moment van verbranden komt er meer CO2 in de atmosfeer dan door verbranding van kolen en gas. Dit is maar een half verhaal, daarover later meer.

Het is belangrijk deze punten te noemen. Maar het is net zo belangrijk die in context te plaatsen. Allereerst de subsidie. Vaak wordt het bedrag van 11,2 miljard genoemd voor meestook in kolencentrales, bijvoorbeeld door hoogleraar Moleculaire Genetica en voormalig minister Plasterk. Dat is echter het maximale bedrag voor alle vormen van biomassa, zie ook het blog van Jasper Vis. Subsidie voor meestook is met maximaal 3,6 miljard over een periode van 8 jaar nog steeds een groot bedrag.

Dat een natuurlijk bos meer natuurwaarde heeft dan een productiebos is duidelijk. Voor sommigen is bosbouw daarom een doorn in het oog. Hetzelfde geldt wellicht voor intensieve landbouw en veeteelt; we gebruiken land waar ook natuur had kunnen staan. Maar het is nu eenmaal een feit dat we een deel van de aarde gebruiken om voedsel en producten te maken, gelukkig maar zou ik zeggen. Er zit wel een interessante paradox; biodiversiteit en koolstofopslag in gebieden met bosbouw zijn hoger dan in de meeste landbouw- en veeteeltgebieden maar we hebben in het algemeen warmere gevoelens bij het zien van koeien die vredig in de wei staan te grazen dan bij een bos waar ieder jaar een stukje van geoogst wordt.

Biomassacentrales stoten ook meer fijnstof uit dan centrales die op kolen en gas draaien. Dat is met name het geval bij kleinere installaties, het verschil in uitstoot tussen een grote kolencentrale en een grote biomassacentrale is vrij klein. De klassieke vorm van biomassa verbranden – de open haard – is vanuit het perspectief van luchtvervuiling verreweg de slechtste optie, zeker ook omdat die vaak aan gaat als het koud is en er weinig menging is in de atmosfeer en vervuiling dus lang bij de grond blijft. De kleinere installaties die nu op veel plaatsen gebouwd worden zitten daar tussenin. Op het moment dat die niet strategisch geplaatst worden dan kan ik me goed voorstellen dat omwonenden daar bezwaar tegen maken.

Houtige biomassa en CO2
Als laatste, de hogere CO2-uitstoot. Hout heeft een relatief lage energiedichtheid. Met andere woorden, om 1 kWh elektriciteit te genereren levert hout meer CO2-uitstoot op dan kolen, en fors meer dan gas. Daarnaast kost het oogsten, transporteren en drogen van hout ook energie die meestal afkomstig is van fossiele brandstoffen met bijbehorende CO2-uitstoot, waar overigens wel strenge richtlijnen voor zijn. Uiteraard is dit soort bijkomende uitstoot voor winning en transport bij het gebruik van kolen en gas ook deels het geval. Maar in het algemeen ligt de indirecte uitstoot daar lager, hoewel met name de methaanuitstoot bij schaliegaswinning of transport via oudere gasleidingen (denk aan import uit Rusland) onzeker is maar fors kan zijn. Daarnaast is er bij biomassa een groter oppervlak nodig om een bepaalde hoeveelheid energie op te wekken dan bij zon en wind. Dit is gelijk ook de belangrijkste reden dat biomassa niet opgeschaald zal kunnen worden om onze hele energievoorziening te dekken; de hoeveelheid land die we hebben of hiervoor kunnen gebruiken is beperkt.

Figuur 5. Schematische weergave van het verschil in vastgelegde biomassa tussen een natuurlijk bos en bosbouw, in het laatste geval iedere 40 jaar oogst waarin alle biomassa uit het bosbouwgebied gehaald wordt.

Maar laten we even kijken naar de koolstofbalans in een bos. In Figuur 5 staat een typische grafiek van de hoeveelheid biomassa die een boom of stukje bos (plot) vast kan leggen. Bij een jong bos is dat vrij veel (de lijn loopt steil) en naarmate een bos ouder wordt zal dat minder worden. Niet omdat oude bomen geen CO2 meer vastleggen maar omdat de hoeveelheid verrotting ook langzaam toeneemt naarmate een bos ouder wordt en bomen omvallen. Bomen groeien niet tot in de hemel, er ontstaat langzaamaan een balans.

Bij bosbouw wordt de biomassa eens in de zoveel tijd uit het bos gehaald, in Figuur 5 iedere 40 jaar. Na 120 jaar en twee keer oogsten zit er minder koolstof opgeslagen in een bosbouwgebied dan in een natuurlijk bos. Zie het pijltje met ‘verschil in biomassa’ bijschrift. Uiteraard gaat dit puur over koolstof, een natuurlijk bos zal meer biodiversiteit herbergen.

Over die periode is er echter twee keer een nóg grotere hoeveelheid hout geoogst. Van dat geoogste hout kunnen producten gemaakt worden die lang meegaan en dus koolstof uit de atmosfeer houden. En het hout van mindere kwaliteit (dat dus nog steeds hele stammen kunnen zijn) zou in een centrale met Carbon Capture and Storage (CCS) verbrand kunnen worden, zogenaamde BECCS waar de BE voor bio-energy staat. Dat is een voorbeeld van het concept van negatieve emissies. Beide voorbeelden zorgen dus voor meer koolstofopslag dan een natuurlijk bos. Zeker als je beseft dat een natuurlijk bos eens in de zoveel tijd in brand zal staan en dus ook weer bij nul begint.

Een andere optie van het gebruik van hout, en terugkomend op het onderwerp van deze blog, is om alle biomassa te verstoken om energie en warmte op te wekken. In werkelijkheid zal er bijna altijd een combinatie van houtproducten en resthout uit het bos komen maar laten we even aannemen dat alle biomassa verstookt wordt. Dan is, net als in het geval van landbouw- en veeteelt, dit bos deel van een cyclus die netto geen CO2 toevoegt aan de atmosfeer. Dit is een vrij simpel concept maar het wordt vaak in twijfel getrokken, en dat zie je terug in hoe de media met dit onderwerp worstelen. Uiteraard is er wel uitstoot door het hele proces van oogst tot stook.

Figuur 6. Animatie van de leeftijd in een bos in een gebied waar iedere 40 jaar een deel van het bos geoogst wordt. De overgang van geel naar donkerblauw is het jaar van oogst.

Het is interessant om van Figuur 5 een ruimtelijk beeld te maken, dat is in Figuur 6 gedaan. De animatie laat zien hoe een landschap er uit ziet als er iedere 40 jaar houtoogst is in de verschillende vierkantjes (plot). Gemiddeld blijft het bos in het hele gebied van dezelfde leeftijd en houdt het dus ook ongeveer dezelfde hoeveelheid koolstof vast. Dit illustreert dat de leuzen ‘een boom verbranden gaat veel sneller dan een boom laten groeien’ weliswaar klopt voor een boom maar niet de dynamiek van een bos recht doet. Het bos is in balans en door alleen te kijken naar wat er op het moment van oogst of verbranden gebeurt mis je het grote plaatje. Het patroon dat ontstaat lijkt op wat de satellietdata laten zien in gebieden met bosbouw.

Media en politiek
De media heeft moeite met dit dossier. In het Parool lezen we de ene keer dat biomassa averechts werkt voor het klimaat en een paar maanden later dat het toch wat genuanceerder ligt. Idem voor het AD, de ene keer alleen de nadelen en de andere keer een gebalanceerd verhaal, met een van de experts op dit gebied, Martin Junginger. Voor degenen die tijd hebben is dit interview met hem door Remco de Boer absoluut aan te raden.

Biomassa heeft iets groens en er gaat subsidie naar toe, misschien niet geheel verrassend dat De Telegraaf vooral de nadelen benadrukt. Tegelijk is het mooi om te zien dat die krant ook zelf op onderzoek uitgaat en soms ook producenten van houtpellets aan het woord laat (11 juni 2020, gedrukte versie). In een van de uitgebreide artikelen over dit onderwerp komen ook wetenschappers uit Estland aan het woord, het land waar een fors deel van onze pellets vandaan komt. Daarin onder andere de zin: “In 2017 en 2018 verdween ruim 12 miljoen kubieke meter hout uit de Estlandse bossen. Voor duurzaam gebruik is volgens de wetenschappers 8,4 miljoen kuub het maximum.”

Dit is een opvallende zin die wegvalt in de algehele teneur van het artikel. Stel dat die wetenschappers gelijk hebben en stel dat er inderdaad 8,4 miljoen kuub gewonnen werd, zou dan de kritiek verstommen? Ik denk het niet want aan biomassa zitten nadelen en de publieke opinie is intussen anti-biomassa. Ook politieke partijen die eerst voorstander waren van biomassa worstelen hiermee, D66 kamerlid Sienot gaf de voorkeur voor gas over biomassa, bij Groen-Links zou het goed zijn als Klaver nog even in overleg gaat met Van der Lee die duidelijk op de hoogte is van de valkuilen in dit debat.

Biomassa en wetenschap
Misschien wel de belangrijkste reden dat het anti-biomassa sentiment zo groot is geworden is de suggestie dat een van de weinige voordelen van biomassa meestook, namelijk dat het tot een lagere CO2-uitstoot dan kolen of gas leidt, niet zou kloppen. In Nederland komt die boodschap vooral van Emeritus hoogleraar evolutionaire ecologie Louise Vet en Emeritus hoogleraar voedingsleer Martijn Katan. Zij weten de media goed te vinden en ook binnen de KNAW zijn zij een duidelijke anti-biomassa stem. Vaak is zo’n KNAW stempel een garantie dat het hier om de wetenschappelijke consensus gaat, maar in dit geval -en de literatuur en IPCC-rapporten over dit onderwerp kennend- durf ik dat te betwijfelen.

Ik durf zelfs de stelling wel aan dat zij ook geen consensus met zichzelf hebben. Een vaak aangehaald artikel waar Vet co-auteur van is, is een ‘Policy Commentary’ van de EASAC, de Europese overkoepelende organisatie van academies van wetenschappen. Dat artikel lijkt een beetje op het hierboven aangehaalde Telegraaf stuk in de zin van dat het overwegend negatief over biomassa schrijft maar tussen de regels door is er toch nuance. Zo staat er ook o.a.:

“The concept of carbon neutrality is both uncertain and highly time and context dependent.”

Dit is een belangrijke zin die aangeeft dat CO2-neutraliteit geen gegeven is maar voorwaarden behoeft. Die nuance komt helaas niet terug in uitspraken in de media, bijvoorbeeld:

“Biomassa is een heel slechte energiebron. Verbranding van hout levert weinig energie op, waardoor er netto meer CO2 uit de schoorsteen komt dan bij kolen en gas [ ]” zegt hoogleraar Louise Vet van de Wageningen Universiteit, die namens de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen in de milieugroep van EASAC zitting heeft.

Ik vind het zorgelijk als wetenschappers belangrijke nuances niet noemen. Een simpel voorbeeld van het gevolg daarvan is de interpretatie van het net verschenen rapport van de commissie Remkes over de stikstofproblematiek. Henri Bontenbal, werkzaam in de energiesector en iemand die nog rapporten doorleest voor hij een mening geeft, kwam daar het volgende tegen:

https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2020/06/biomassa_werf_tweet_bontenbal.png?w=500

Het gaat om de zin “… gecertificeerde biomassa wordt ten onrechte als CO2-neutraal meegeteld.” met een verwijzing naar het EASAC-artikel. Dat doet geen recht aan de nuances in dat artikel en al helemaal niet aan de bredere literatuur. Hoewel dit maar een bijzinnetje is in het rapport dat over stikstof gaat is het voor mij toch moeilijk het rapport nog als neutraal te zien, iets dat enorm belangrijk is in een debat met veel belangen en gevoelens en voor het vertrouwen van de maatschappij in de wetenschap.

Samenvatting
In het voorwoord van het recente PBL-rapport over biomassa schreef PBL-directeur Hans Mommaas dat het onderwerp één van de indringende duurzaamheidsdilemma’s van dit moment behelst; “Wat heeft prioriteit: de instandhouding/stimulering van de mondiale biodiversiteit of de mondiale terugdringing van broeikasgassen?”.

Dat dilemma lijkt echter ondergesneeuwd te raken in de discussie over biomassa doordat het voordeel van biomassa vergeleken met fossiele brandstoffen (lagere netto CO2-uitstoot) in twijfel getrokken wordt. En zoals Paul Rosenmöller zo mooi zei naar aanleiding van de discussie over het sluiten van scholen afgelopen maart: “Als wetenschappers elkaar tegenspreken, verliezen bestuurders hun kompas”.

Met dit stuk heb ik proberen duidelijk te maken dat er veel haken en ogen aan biomassa meestook zitten, maar dat het ook mogelijkheden biedt die we moeten koesteren. Wie in de energietransitie alleen perfecte oplossingen wil accepteren houdt uiteindelijk geen enkele optie over. Over hoe CO2-neutraal biomassa nu werkelijk is kan je goed discussiëren, dat het bij naleving van duurzaamheidscriteria netto minder CO2 uitstoot dan kolen en waarschijnlijk gas is vrij zeker.

Terugkomend op het begin van dit stuk zijn er twee bijzondere observaties wat mij betreft. Aan de ene kant is er een sterke en doeltreffende anti-biomassa lobby vanuit een kleine groep wetenschappers geweest, waarvan sommigen ook sterk tegen kernenergie gekant zijn. Zonder beide opties is het een flinke klus om onze CO2-uitstoot naar beneden te krijgen zonder de betrouwbaarheid van ons energiesysteem te veel op de proef te stellen. Aan de andere kant zien we een sterke anti-biomassa lobby bij een aantal kranten maar waarschijnlijk het sterkst bij De Telegraaf waarbij de nadruk ligt op ecologische schade. Die verontwaardiging vind ik moeilijk te rijmen met de berichtgeving op andere ecologische onderwerpen zoals het stikstofdebat.

Epiloog
Persoonlijk ben ik voor- noch tegenstander van biomassa. Ik ben vooral voor een efficiënte energietransitie gebaseerd op feiten en een eerlijke evaluatie van onzekerheden en onbekende factoren daarin. Keuzes zullen door de politiek gemaakt moeten worden. Wind en zon worden goedkoper en de capaciteitsfactor daarvan stijgt, vooral met verdergaande uitbreiding wind op zee. Daarnaast kampen deze bronnen na installatie niet met terugkerende uitstoot voor o.a. oogsten en drogen zoals bij biobrandstoffen het geval kan zijn.

Voor zover dat niet al nu het geval is zullen deze factoren meestook van biomassa op termijn uit de markt drukken, zeker als de subsidie vervalt. Andere vormen van biomassa kunnen nodig blijven aangezien biomassa opgeslagen kan worden en daarmee hiaten in zon en wind kan opvangen, omdat het negatieve emissies mogelijk maakt, omdat het een grondstof is en omdat geavanceerde biobrandstoffen voorlopig nodig kunnen zijn voor lucht- en zeevaart.

De harde lobby tegen biomassa kan op twee manieren slecht uitpakken. Allereerst als biomassa als base-load sneller afgebouwd wordt dan zon, wind, en kernenergie sneller opgeschaald kunnen worden dan al gepland. Dat zou tot hogere CO2-concentraties leiden. Ten tweede als biomassa zo’n slechte naam krijgt dat er door de maatschappij niet meer constructief mee omgegaan kan worden, een situatie die wellicht op die van kernenergie lijkt.

Guido van der Werf is universiteitshoogleraar aan de Vrije Universiteit, zijn onderzoek richt zich op de wisselwerking tussen het klimaatsysteem en de mondiale koolstofcyclus.

https://klimaatveranda.nl/2020/06/12/co2-balans-bij-gebruik-van-biomassa-als-energiebron/

Eva Rovers over klimaatactivisme: ‘We moeten de verantwoordelijken verantwoordelijk houden’ (Vrij Nederland)

Ze is een keer bijna verdronken in de Zuid-Chinese Zee.

‘Een gewelddadige en orgastische ervaring’ noemde ze het later. Eva Rovers, nu 41, was student en had een relatie met een drummer die net zijn afscheidstournee achter de rug had. Het was januari 2002. Tijd voor het stel om uit te puffen op een tropisch eiland in de buurt van Maleisië. Toen Rovers en haar vriend de eerste ochtend daar wakker werden, liepen ze vanuit hun hut de zee in en speelden wat in het water, tot ineens het zand onder hun voeten was verdwenen en het strand eindeloos ver weg leek. Ze waren in een onderstroom terechtgekomen. Terugzwemmen was onmogelijk. Bij elke poging die Rovers deed om richting kust te zwoegen, werd ze verder achteruitgetrokken. De drum-armen van haar vriend waren wel sterk genoeg om de branding te trotseren.

Wat volgde was een filmscène:
‘Ik laat je niet alleen!’
‘Jawel, jij moet terugzwemmen en hulp halen! Anders gaan we allebei dood!’

Bij elke golf werd Rovers onder water gesleurd, daarna naar boven getrokken en met geweld weer in zee gegooid. Ze was als was in een centrifuge. Ademhalen en als het even kon haar hoofd boven water houden, dat was het enige wat ze wist te doen. Voor de rest viel ze gelukzalig samen met de tijd en de omgeving. Er was geen gisteren, geen morgen, alleen het trekkende en smijtende water. Ze was één met de zee. Ze vroeg de golven haar terug te brengen naar de kust – wat ze niet deden – maar ze bleef rustig en gelukkig. Ook toen twee jongens op bodyboards haar te hulp kwamen, behield ze dat euforische gevoel.
Of ze in deze coronatijden nog eens aan die gebeurtenis heeft teruggedacht, vraag ik haar. Dat overgeleverd zijn aan de natuur, dat één zijn met alles.

Schrijfster en cultuurhistorica Eva Rovers is geprezen om haar grondige biografieën van Helene Kröller-Müller (De eeuwigheid verzameld, 2010) en Boudewijn Büch (Boud, 2016). Daarna werden haar boeken minder dik, en meer betrokken bij de actualiteit, bij opstand en klimaatactivisme. Zo schreef ze in 2017 Ik kom in opstand dus wij zijn, over rebellie in digitale tijden, en weer een jaar later Practivisme: Een handboek voor heimelijke rebellen, dat gaat over de vraag hoe je als individu de wereld kan verbeteren.

Allemaal in contact met elkaar

Rovers had voorgesteld om het gesprek bij haar thuis te doen, in het centrum van Amsterdam. Nu, in de vroege maandagmiddag van 23 maart, spreken we elkaar via Facetime. Reden: corona. Er zijn inmiddels 4.023 besmettingen en 179 sterfgevallen geteld. Het leger is ingezet om patiënten van Brabantse ziekenhuizen naar andere delen van het land te vervoeren. Handen wassen moesten we al, handen geven mocht ook niet meer, en we wennen met enige moeite aan de oproep van premier Rutte om anderhalve meter afstand tot elkaar te houden. Opgeteld bij Rovers’ ‘gebruikelijke voorjaarshoestje’ was de conclusie snel gemaakt: we videobellen.

‘Zo’n virus laat letterlijk zien dat we allemaal in contact staan met elkaar. En je kunt het breder trekken: de leefbaarheid van de planeet is iets wat ons allemaal aangaat en verbindt. Dat heeft heel lang zweverig geklonken, nu merk je hoe concreet dat is.’
Ik zie haar gezicht en haar witte plafond. Op de achtergrond klinkt zo nu en dan de bel van een voorbijrijdende tram.

‘De leefbaarheid van de planeet is iets dat ons allemaal aangaat en verbindt. Dat heeft heel lang zweverig geklonken, door het virus merk je nu hoe concreet dat is.’

‘Twintig jaar geleden, na mijn ervaring in de Zuid-Chinese Zee, besefte ik hoe uniek het is dat je mag rondlopen op deze planeet, dat je het leven hebt. Dat ervaar ik nu weer. We vinden het vanzelfsprekend dat er eten in de supermarkt ligt, dat we kunnen reizen, naar buiten kunnen, dat de wereld aan onze voeten ligt, zeker hier in het Westen. Alles marcheert. De gezondheidszorg werkt, het onderwijs functioneert, ook nu alles online moet.

We vonden het normaal dat we elkaar konden zien en aanraken, en ineens is dat niet meer zo. Dat is pijnlijk en verdrietig, maar het maakt ons ook weer bewust van die uniciteit.’

https://www.vn.nl/wp-content/uploads/sites/3/2020/04/VN-Eva_18-03-20_02_0850-640x960.jpg

Lenterebellie

Op 22 april verscheen het nieuwe boek van Eva Rovers, Nu het nog kan. Of beter gezegd: het boek van klimaatbeweging Extinction Rebellion, onder redactie van Rovers.

Lees ook Zo bouwt Extinction Rebellion een weerbare beweging op (en voorkomt het burn-outs) 1 maart 2020

Behalve een hoofdstuk van haar hand – over ‘burgerberaad’, waarover later meer – bevat het ruim dertig artikelen van wetenschappers, schrijvers en activisten die zich inzetten om ‘de wereldwijde klimaatcrisis en ecologische ramp die zich aan het voltrekken is’ af te wenden – nu het nog kan.

Vijf stukken zijn overgenomen uit de Engelse editie This Is Not a Drill. An Extinction Rebellion Handbook, de rest is werk van eigen bodem. Onder anderen oud-politicus Jan Terlouw, cabaretier Tim Fransen en schrijver David Van Reybrouck werkten eraan mee, net als Evanne Nowak (klimaatpsycholoog), Jan Rotmans (hoogleraar transitiekunde), Ernst-Jan Kuiper (klimatoloog) en Urgenda-directeur Marjan Minnesma.

Het boek had 2 april moeten verschijnen als opmaat naar een actieweek half april, maar inmiddels staat er ‘LENTEREBELLIE GAAT VOORLOPIG NIET DOOR’ op de website van Extinction Rebellion Nederland. De lezingen die Rovers zou geven, zijn afgelast. Normaal pendelt ze tussen Amsterdam en Brussel, maar ze kan haar vriend, die in België woont, (niet de drummer) voorlopig niet zien. Wel kan ze nu hardlopen door een stille Kalverstraat, en voor de gelegenheid heeft ze haar exemplaar van De pest van de Franse filosoof Albert Camus uit de kast gehaald.

We kennen Extinction Rebellion van de die-ins (‘dood neervallen’ in de openbare ruimte), rouwstoeten en verkeersblokkades. Vorig jaar blokkeerden ze de Stadhouderskade en de Blauwbrug in Amsterdam. Tijdens een bezoek van koning Willem-Alexander sprongen ze in het water bij ‘Amersfoort aan de toekomstige zee’ en een enkeling lijmde zichzelf vast aan de ingang van het hoofdkantoor van Shell in Den Haag. Waarom werkt u samen met een groep mensen die door sommigen als klimaatgekkies worden bestempeld?

‘Als je op de media afgaat, dan lijken het misschien een stel radicale klimaatactivisten, maar ik heb zelden zo’n lieve, wijze groep bij elkaar gezien. Ze worden negatief geframed. Je moet Extinction Rebellion zien als een grote groep bezorgde burgers. Onderwijzers, artsen, kappers en buschauffeurs die zich zorgen maken over de stand van het klimaat. Mensen die inzien dat er enorme ingrijpende maatregelen nodig zijn om het tij te keren.’

‘Die slechte reputatie komt door de burgerlijke ongehoorzaamheid, de vreedzame acties die het dagelijks leven verstoren. Dus als ze in het nieuws komen, is dat omdat er een kruispunt of zo geblokkeerd is. Dat is ook het idee: zo genereer je aandacht om de urgentie van het klimaatprobleem te onderstrepen. We willen mensen letterlijk even stil laten staan. Maar goed, het is een wankel evenwicht. Soms krijgt de demonstratie zelf meer aandacht dan de boodschap.’

Je kan het niet alleen

Extinction Rebellion, kortweg XR, is een grassroots organisatie, van onderaf georganiseerd en zonder leider. Elk land, elke woonplaats kan zijn eigen afdeling oprichten zolang de principes en uitgangspunten maar worden erkend. Na Engeland, waar de beweging in 2018 werd opgericht, zijn er inmiddels in meer dan zestig landen XR-groepen actief. Nederland kreeg begin vorig jaar zijn eerste Extinction Rebellion-afdeling, inmiddels zijn er zo’n veertig.

Kwamen ze naar u toe of ging u naar hen?

‘Allebei een beetje. Ik had ze al een tijd gevolgd. Eigenlijk ben ik een enorme einzelgänger, maar ik had Practivisme geschreven, over opstand en verandering en de vraag: kun je als individu iets doen aan de grote problemen waar we allemaal mee te maken hebben? Ik draai spaarlampen in, eet geen vlees, koop nauwelijks nog nieuwe kleren, zeker niet bij ketens als Primark, breng mijn glas naar de glasbak, maar hoe kan ik écht iets aan de mondiale problemen doen?’

‘Mijn conclusie was: je kan het niet alleen. Hoewel ons elke keer de aloude slogan van “een beter milieu begint bij jezelf” wordt voorgelegd. Als je maar minder vliegt, als je maar minder vlees eet… Meer kun je eigenlijk niet doen. Dat is niet waar. Net zoals het idee dat je als individu een enorme verandering teweeg zou kunnen brengen, iets waar we ook heel graag in geloven. Beide mythes kloppen niet. Je kunt het niet in je eentje doen.’

Dus kunnen we net zo goed geen plastic scheiden?

‘Nee, natuurlijk moet je je afval blijven scheiden. Kijk, we zitten in een samenleving waarin het individualisme hoogtij viert. En tot op zekere hoogte is dat absoluut fijn, maar het is zo ver doorgeschoten dat we denken dat onze macht niet verder reikt dan het individu – en dat is een desastreuze gedachte. Een beter milieu begint bij jezelf, ja, maar als je niet uitkijkt, houdt het daar ook op. Want als je het alleen bij jezelf houdt, verandert het systeem nog niet. Dan doe je alleen aan symptoombestrijding.’

Waarom is Extinction Rebellion dan de juiste club om het mee aan te pakken?

‘Omdat zij een geïntegreerde visie hebben. Dat is misschien wel het probleem geweest van de oude klimaatbewegingen, dat het alleen maar op klimaat gericht is geweest en bijvoorbeeld niet op de sociaal-economische verschillen in de wereld.’

‘Extinction Rebellion is ervan overtuigd dat de klimaatontwrichting verbonden is met een heel scala aan problemen op economisch gebied, op sociaal gebied, in de landbouw, geopolitiek, maar ook bijvoorbeeld met hoe we de democratie inrichten. We moeten niet alleen de klimaatcrisis aanpakken, we moeten ook zorgen dat dat op een rechtvaardige manier gebeurt. Dus dat de mensen die zich geen zonnepanelen of een Tesla kunnen veroorloven ook kunnen meegaan in de hele energietransitie.’

Een van de auteurs in het boek stelt dat de vorige protestbewegingen niet genoeg hebben gewerkt en dat we het dus anders moeten aanpakken. Bent u het daarmee eens? Waren de protesten in de jaren zestig en tachtig, en bijvoorbeeld een beweging als Occupy zinloos?

‘Natuurlijk waren die niet zinloos. Je staat altijd op de schouders van je voorgangers. Als groep beslissingen nemen, een leiderloze beweging: dat is echt niet nieuw. Wat wel nieuw is, is die totaalvisie. Dat je niet meer op één onderwerp gaat zitten, maar dat je de verbanden tussen de problemen probeert te analyseren en als geheel probeert aan te pakken. Dat is noodzakelijk, anders ben je telkens alleen maar deukjes in het systeem aan het slaan. En ja, op een gegeven moment werd ik gevraagd of ik een artikel voor ze wilde schrijven. Toen ben ik naar een bijeenkomst gegaan en aan het eind van die avond had ik me aangesloten.’

‘De totaalvisie van XR is nieuw: niet meer op één onderwerp zitten, maar de verbanden tussen de problemen analyseren en als geheel proberen aan te pakken.’

Diezelfde avond?

‘Ja, ook al was ik in eerste instantie wat huiverig. Ik vreesde ellenlange vergaderingen, maar dat was helemaal niet het geval. Het was een vrij kleine club die een mandaat voor een bepaald thema heeft, in dit geval het boek. Natuurlijk zitten er heus af en toe hobbels in de besluitvorming, maar er is een enorme bereidheid om elke keer tot een consensus te komen.’

Een van de auteurs schrijft in Nu het nog kan: ‘Het gaat niet alleen om het milieu, of om het klimaat. We leven in een vergiftigd systeem dat onmogelijk in staat is om al het leven op aarde te ondersteunen, omdat het wordt voortgedreven door uitbuiting, vervuiling en afdanking van wat wij “natuur” noemen.’

‘Groei is goed en meer is altijd beter: dat is het neoliberale systeem waarin we al veertig jaar leven en waaraan alles kapotgaat. Alle problemen kun je daaraan ophangen: klimaatontwrichting, economische ongelijkheid, seksisme, racisme. Het is angstaanjagend. Want ik kan wel zeggen dat het zo mooi is dat alles met elkaar samenhangt, maar dat betekent ook dat alles dus erg kwetsbaar is. Bovendien is de economie de maat van alle dingen. Tot hoe we over onze gevoelens praten aan toe. Het is allemaal managementtaal.’

Bijvoorbeeld?

‘We zeggen “investeren in onze toekomst” als we gaan studeren, of we “optimaliseren” onze relatie. Het zit zo diep in onze manier van denken. Ook het idee dat we recht hebben op alles en verplicht zijn tot niets. Een gevaarlijke mentaliteit waardoor we heel weinig verantwoordelijkheid nemen. We zijn zo bang iets van ons comfort of onze welvaart te verliezen, dat we niet zien dat we juist daarmee onszelf aan het ondergraven zijn.’

Het boek biedt alternatieven op het neoliberale systeem?

‘Ja. Exctintion Rebellion heeft drie eisen. De eerste is: wees eerlijk over de ernst van de klimaatcrisis. De tweede: doe wat nodig is om die crisis het hoofd te bieden. En de derde: laat burgers meebeslissen over de maatregelen die nodig zijn. Volgens die structuur hebben we het boek opgebouwd. We laten allereerst zien wat er misgaat met de wereld. Dat we afstevenen op een te snelle opwarming van de aarde. En dat zorgt voor bosbranden, misoogsten, hittegolven, waterschaarste, smeltend permafrost en vrijkomende broeikasgassen. Maar het leidt ook tot migratiestromen en conflicten. Om maar wat te noemen.’

‘We hebben drie eisen: wees eerlijk over de ernst van de klimaatcrisis; doe wat nodig is om die crisis het hoofd te bieden en laat burgers meebeslissen over de maatregelen.’

‘Daarna volgen artikelen met haalbare ideeën om die ramkoers te wijzigen. Er staat bijvoorbeeld een artikel in van Kate Raworth, bekend van haar boek De donuteconomie. Dat model gaat niet uit van lineaire groei, maar van twee cirkels. De binnenste cirkel is het sociale fundament: de minimale voorwaarden voor een gezond en rechtvaardig bestaan. De buitenste ring is de maximale capaciteit van de aarde, het ecologische plafond. Daarbinnen moet je blijven. Raworth laat zien dat dat ook kan.’

Welk artikel verraste u het meest?

‘Eh, meerdere. Ik moet meteen denken aan het stuk van bioboer Jelle de Graaf over agro-ecologie. Dat zijn manieren waarop je de landbouwgrond niet uitput maar op de langere termijn vruchtbaar houdt. We hebben veel weidegrond in Nederland, maar dat zijn zogeheten “groene woestijnen” omdat er haast geen diversiteit aan leven meer is. Als we op deze manier doorgaan, is de grond over een paar decennia uitgeput. Terwijl er genoeg alternatieven zijn: permacultuur, voedselbossen…’

https://www.vn.nl/wp-content/uploads/sites/3/2020/04/VN-Eva_18-03-20_01_0014-640x960.jpg

‘Agro-ecologie is volgens de Verenigde Naties de enige manier om wereld te voeden én leefbaar te houden. En de artikelen over het verband tussen klimaatverandering en kolonialisme, dat verband was mij tot mijn schande echt ontgaan. De klimaatcrisis is een product van eeuwen koloniaal beleid. Inheemse gemeenschappen zijn toen ontwricht, gemeenschappen die juist heel goed wisten hoe je met de natuur moest omgaan. Dat gebeurt nog steeds, kijk naar wat de fossiele industrie wereldwijd doet: die eigenen zich nog steeds land en grondstoffen toe ten koste van de lokale bevolking.’

Er staan in het boek veel metaforen en grote termen: ecocide, de zesde massa-extinctie, eco panische tijden… Schrikt dat niet af?

Nu buigt Rovers naar achteren en zie ik even enkel haar plafond. ‘Ja, maar het ís ook heel groot!’ zegt ze dan. ‘Het is het probleem van ons individualistische denken dat het al snel te groot wordt om te bevatten. Ik vind ecocide ook een heftig woord. Maar als je het artikel leest, snap je dat de term ecocide, in de zin van “opzettelijk ernstige schade toebrengen aan het milieu”, nodig is om het strafbaar te kunnen stellen. Het is toch ongelofelijk dat landen en bedrijven nu nog ongestraft grote en blijvende schade kunnen toebrengen aan onze eigen leefomgeving? Daarom is ecocidewetgeving nodig.’

‘Dat is deels het belang van het boek: nieuwe termen introduceren. Zo vond ik de term regeneratief erg abstract. Daar hebben we ook discussie over gehad: is dat niet te academisch, begrijpen mensen dat wel? Uiteindelijk gebruiken we het toch, want dat is de kracht van taal: we kunnen zo aan bepaalde concepten een naam geven die nog geen naam hadden. Daarmee krijgen ze een plek in het collectieve bewustzijn. Want als jij nog nooit van ecocide hebt gehoord, bestaat het in wezen ook niet. Maar als er een woord is, kun je erover praten en er misschien uiteindelijk een oplossing voor bedenken.’

Dan heb je nog fatalisme onder jongeren, ze spreken van milieumelancholie, eco-angst…

‘We kunnen er lacherig over doen, van: o, de mensen zijn zo gevoelig, ze krijgen een klimaatdepressie. Maar als je in de wetenschap duikt en inziet hoe ernstig de situatie is, dan is het ook moeilijk om dat te relativeren. Het is gigantisch. Zesde massa-extinctie (de vijfde was 66 miljoen jaar geleden, toen de dinosaurussen van de aardbodem verdwenen, JvG) is ook een alarmerende term. Daar gaat ook een stuk in de bundel over: moet je crisistaal gebruiken of niet, want dat kan ook verlammen.’

‘Van de andere kant: het is gewoon ernstig wat er gaande is en we hebben nu nog de kans om te zorgen dat het niet desastreus wordt. Zeker voor de jonge generatie is het zwaar. We hebben het over bedreigingen die zij in hun leven nog gaan meemaken. En we zijn daar mentaal totaal niet op voorbereid. Dat laat de coronacrisis ook zien. Waarom gaan we massaal ieder tien pakken wc-papier kopen? Omdat we een crisis niet aankunnen. Omdat we er niet over mogen praten. Omdat alles de grote goednieuwsshow moet zijn.’

‘Waarom gaan we tien pakken wc-papier kopen? Omdat we een crisis niet aankunnen. Omdat we er niet over mogen praten. Omdat alles de grote goednieuwsshow moet zijn.

Betrokken

Op haar tiende gaf Eva Rovers een spreekbeurt. Ze had een sleutelhanger in de vorm van een honkbalknuppel meegenomen naar de klas en een Barbiepop die ze bij wijze van bontjas met watten had beplakt. Onderwerp: de zeehondenjacht. Wat heel zielig was, zo luidde haar conclusie, en in plaats van de dieren zouden de mensen die bontmantels dragen moeten worden doodgeknuppeld. Wat ze illustreerde aan de hand van haar meegenomen rekwisieten.

De klas staarde haar verbijsterd aan.

Ze leerde dat geweld niet de manier is om je punt te maken.

Eva Rovers groeide op in Eindhoven als oudste zus van drie broers. Haar moeder werkte fulltime als verpleegkundige bij de neonatologische intensive care, haar vader is beeldend kunstenaar. Ze kreeg een verantwoordelijkheidsgevoel mee voor de wereld waarin ze leefde. ‘Mijn ouders zijn altijd erg betrokken geweest. Het idee dat carrière en geld verdienen niet het hoogst haalbare in het leven is, is ons van kleins af aan bijgebracht.’

Niet alleen die ene over de zeehonden, ál haar spreekbeurten gingen over onrecht in de wereld. En toen ze op haar twaalfde besloot vegetariër te worden, kookten haar ouders zonder gemor vleesloos voor haar. Rovers is nog steeds vegetariër.

Ze studeerde taal- en cultuurstudies in Utrecht, schreef haar scriptie over Piet Mondriaan en zag toen een vacature in NRC Handelsblad staan voor de biografie van Helene Kröller-Müller, de kunstverzamelaar en naamgever van het museum in Otterlo. Too good to be true, dacht ze – ze gaf inmiddels ook les in kunstbeleid en -management – maar het was true en ze mocht de biografie schrijven. Toen dat manuscript vier jaar later bij de uitgever lag en ze erop was gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit Groningen, fungeerde NRC wederom als haar vacaturebank toen ze las dat er een biograaf voor Boudewijn Büch werd gezocht. Die opdracht kreeg ze ook.

Eigen stem

En toen, toen was het tijd voor Eva Rovers. Ze telde haar lidmaatschappen – Greenpeace, Milieudefensie, Amnesty International, Vluchtelingenwerk – en de keren dat ze een online petitie had ondertekend en besloot de onderstroom van dat kleine meisje dat haar bebontjaste Barbie doodknuppelde niet langer te negeren. ‘Na twee biografieën is het tijd voor mijn eigen stem,’ zei ze in een interview na het verschijnen van Boud.

Dus toen haar in 2017 werd gevraagd om een pamflet te schrijven over opstand, ging ze akkoord. Maar dan wilde ze wel over opstand in het algemeen schrijven en niet alleen over opstandige kunst. Dat werd Ik kom in opstand, dus wij zijn.

‘Filosofen Coen Simon en Frank Meester vroegen mij een pamflet voor de Nieuw Licht-serie te schrijven waarin wordt gekeken in hoeverre oude filosofische ideeën nog op het heden kunnen worden toegepast. Ik wilde naar de hashtag-revoluties kijken. Mijn vraag was of opstand mogelijk is in deze gedigitaliseerde wereld. Ik koos daarvoor het essay De mens in opstand van Camus uit 1951. Albert Camus is denk ik de eerste filosoof die ik las. Hij is al heel lang een enorme bron van inspiratie.’ Ze tuurt even naar buiten. ‘Wat klinkt dat als een cliché.’

Dan houdt ze De pest die op haar bureau ligt voor de camera. ‘Gekocht in 1997. Een pleidooi voor menselijkheid, ook als het uitzichtloos is. De hoofdpersoon dokter Rieux weet dat hij de mensen niet kan genezen, hij kan alleen maar diagnosticeren en verzorgen, maar toch blijft hij doorgaan. De mens is als Sisyphus, zegt Camus, hij sjouwt telkens de steen de berg op en telkens rolt de steen weer naar beneden. Je moet blijven vechten, je menselijke waardigheid behouden. Je doet het niet alleen voor jezelf, maar voor het grotere geheel. Het strijden tegen klimaatverandering kun je ook zo zien: het is de ene teleurstelling na de andere, maar je moet doorgaan, ook al weet je dat jezelf waarschijnlijk de oplossing niet gaat meemaken.’

‘Het strijden tegen klimaatverandering is de ene teleurstelling na de andere, maar je moet doorgaan, ook al weet je dat jezelf de oplossing niet gaat meemaken.’

Waarom koos u destijds voor De mens in opstand?

‘Camus zegt: het leven is eigenlijk zinloos, want we gaan uiteindelijk allemaal dood. De mens is het enige wezen dat weigert te zijn wat het is, stelt hij, namelijk sterfelijk. Sommige mensen zoeken daarom zingeving in religie of een ideologie, maar volgens Camus bieden die alleen schijnzingeving: sussende, simplistische antwoorden op complexe levensvragen. Je moet die zinloosheid juist in de ogen kijken.

‘Door daar tegen in opstand te komen, door “hartstochtelijk te leven” zoals Camus het noemt, geef je betekenis aan het leven. Door “nee” te zeggen, geef je aan dat er dingen zijn die belangrijk zijn om te beschermen. Opstand is volgens Camus wat de mens tot mens maakt. Als je dat bij een ander herkent, zie je ook de menselijkheid. Dat geeft troost en schept een band.’

‘Ik vond dat juist voor de demonstranten van de 21ste eeuw een wijze les. Je had toen de Arabische Lente gehad, de Maidanprotesten in Oekraïne, Occupy. #MeToo was net uitgebroken. Opeens leek het of je in no time een massa kon mobiliseren en verandering teweeg kon brengen als je maar een smartphone had. Maar dat is niet zo natuurlijk. Dat was de les van Camus: een grote groep mensen is niet hetzelfde als een hechte groep mensen. Onderlinge verbondenheid is essentieel om langdurige verandering te bereiken.’

‘Dat is de reden waarom veel protesten van de afgelopen jaren geïmplodeerd zijn. Occupy is als een plumpudding in elkaar gezakt. Het verzandde in discussies over praktische zaken, het ging bij wijze van spreken alleen nog maar over wie de wc-dienst zou doen. Er was geen gezamenlijke strategie. Het waren heel veel losse individuen bij elkaar.’

https://www.vn.nl/wp-content/uploads/sites/3/2020/04/VN-Eva_18-03-20_01_0256-2-640x960.jpg

Met uw pamflet Ik kom in opstand, dus wij zijn laat u zien dat er voor structurele verandering meer nodig is dan een digitale klik. In Practivisme onderzoekt u vervolgens wat u als individu kan doen om verandering teweeg te brengen. Het antwoord is dan: samenwerking. En nu werkte u dus mee aan dit collectieve boek van Extinction Rebellion.

‘Tim Fransen komt in zijn stuk met een andere filosofische onderbouwing om mee te doen, van de Engelse filosoof Thomas Hobbes. Die zegt: in de democratische rechtstaat hebben de burgers en de staat een sociaal contract met elkaar. Burgers geven de overheid macht en in ruil daarvoor beschermt de staat hen. Maar, zegt Fransen, omdat de staat de klimaatcrisis onvoldoende aanpakt, beschermt hij burgers dus niet, en komt zijn contract niet na. Dat maakt burgerlijke ongehoorzaamheid legitiem. Sterker, dat maakt het noodzakelijk.’

‘De staat pakt de klimaatcrisis onvoldoende aan, komt zijn contract niet na. Dat maakt burgerlijke ongehoorzaamheid legitiem.’

Uw hoofdstuk gaat over burgerberaad. Het ‘crowdsourcen van besluitvorming’ noemt u het.

‘Ik denk dat er op het hoogste politieke niveau maatregelen moeten worden genomen, maar de politiek deinst ervoor terug om die maatregelen te nemen omdat ze niet goed liggen bij de achterban en indruisen tegen dat dogma van eeuwige groei.’

In het boek citeert David Van Reybrouck de voormalige Vlaamse minister van Leefmilieu Bruno Tobback: ‘Bijna elke politicus weet wat hij moet doen om het klimaatprobleem aan te pakken. Er is alleen geen enkele politicus die weet hoe hij daarna nog moet verkozen raken.’

‘We moeten ons allereerst realiseren dat we in een onhoudbaar systeem leven. Nee, we kunnen niet blijven consumeren zoals we doen. Nee, we kunnen niet zoveel blijven rondvliegen. Nee, we kunnen niet zoveel dieren de dood in blijven jagen. Extinction Rebellion zegt niet: wij gaan even zeggen hoe het dan wel moet. Maar: laat burgers hier nou over beslissen. Organiseer burgerpanels waarin burgers met elkaar kunnen nadenken over politiek beladen onderwerpen. Zo’n panel laat zich grondig informeren, overlegt langdurig en komt uiteindelijk tot een conclusie. Los van een achterban of verkiezingen.’

Lees ook Macht op vrijdag: David Van Reybrouck bejubelt het besluit tot een gelote senaat van burgers 1 maart 2019

Dat burgerberaad is ook wat Van Reybrouck al een tijd bepleit. Maar in Nederland kennen we het nauwelijks. U noemt slechts één voorbeeld: Bert Blase van Code Oranje die een ‘burgertop’ organiseerde over de groei van Schiphol.

‘Er zijn ook andere voorbeelden geweest, maar inderdaad weinig. Op lokaal niveau gebeurt wel wat, maar zeker op nationaal niveau lopen we achter op Frankrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en andere landen.’

Het boek van Van Reybrouck, Tegen verkiezingen, stamt uit 2013. Nu zegt u in Practivisme dat we geduld moeten hebben, maar het is toch al best lang geleden…

‘Nou. Eh.’ Ze is even stil, en lacht dan. ‘Ik moet misschien even zeggen dat David mijn lief is.’

O!

‘Ja. Maar goed, juist daardoor zie ik van dichtbij hoe goed dit werkt. Toen Tegen verkiezingen uitkwam, zeiden mensen ook: het is utopisch en onrealistisch. Maar in Duitstalig België is er sinds vorig jaar een permanente Bürgerrat, eigenlijk een gelote Eerste Kamer. Dat is heel succesvol. Bovendien: we hebben inmiddels de brexit gehad. Trump. De opkomst van polariserende populisten. Je ziet dat politici en burgers beginnen te beseffen dat we de democratie misschien op een andere manier moeten inrichten.’

‘Ik denk dat er grote behoefte is aan besluitvorming die de partijpolitiek overstijgt. Daar is zo’n burgerberaad een ideale vorm voor omdat onderbuikgevoelens en polarisatie plaatsmaken voor een geïnformeerde dialoog. Ik heb het dus niet over een referendum, we hebben in het verleden gezien dat dat vaak tot polarisatie leidt, omdat mensen niet of heel eenzijdig worden geïnformeerd.’

Wat is het verschil met zo’n burgerberaad?

‘Daar komen mensen, een gelote groep mensen, bijvoorbeeld vier of vijf weekenden over een langere tijd samen, waarbij ze de tijd krijgen om zich te laten informeren, te overleggen en op basis daarvan tot een antwoord te komen.’

In Frankrijk heeft president Macron nu ook burgerpanels ingesteld om te adviseren over klimaatmaatregelen. Dat had hij natuurlijk veel eerder moeten doen, namelijk vóór hij in 2018 de brandstofbelasting verhoogde. Hij besefte niet dat hij de laagste inkomens het hardst raakte. Het gevolg kennen we: de gele hesjes.’

Zou het voor de CO2-maatregelen in Nederland ook een idee zijn om zo’n burgerpanel in te stellen, om te zorgen dat boeren niet weer in hun tractors richting het Malieveld rijden?

‘Absoluut. Mensen zijn zoveel meer dan boze burgers. Uit buitenlandse voorbeelden blijkt dat mensen die goed geïnformeerd worden en verantwoordelijkheid krijgen, die verantwoordelijkheid heel serieus nemen. Of het nu gaat om abortuswetgeving in Ierland of het stikstofdossier hier in Nederland: elk politiek beladen onderwerp waar politici hun vingers niet aan durven te branden, kan in een burgerpanel behandeld worden. Zeker ook de klimaatcrisis, omdat dat aan zoveel aspecten van ons leven raakt.’

‘Mensen die goed geïnformeerd worden en verantwoordelijkheid krijgen, nemen die verantwoordelijkheid heel serieus.’

‘Ik denk dat de politiek zoals die nu gevoerd wordt niet meer van deze tijd is. Mensen voelen zich niet gerepresenteerd. Daarmee hoef je de partijpolitiek niet opzij te schuiven, maar je kunt er wel een essentieel onderdeel aan toevoegen en mensen zo bij de politiek betrekken.’

Is dat uw volgende boek?

‘Misschien is dit niet iets dat in boekvorm zou moeten verschijnen. Er is al zoveel over geschreven. Misschien moet ik de barricaden op. Laten zien dat dit werkt.’

Astronauten op ruimteschip aarde

Als we ons Facetime-gesprek willen beëindigen, zijn de coronastatistieken bijgesteld met 34 nieuwe doden tot een totaal van 213. Vastgestelde besmettingen: 4.534. Die avond zal premier Rutte een persconferentie houden en ‘een paar gladiolen’ aanspreken die de anderhalve meter niet serieus nemen. ‘Je leeft niet alleen voor jezelf,’ zegt hij.

Bijeenkomsten worden tot 1 juni afgelast en de politie mag ingrijpen wanneer groepen van drie of meer personen bijeenkomen.

Gaan we iets leren van de coronacrisis, vraag ik tot slot.

Dat is erg afhankelijk van hoe het zich ontwikkelt, zegt Rovers. ‘Hoe lang het duurt, hoe erg het wordt. Misschien dat we ons meer moeten realiseren dat we allemaal met elkaar verbonden zijn, zoals Richard Buckminster Fuller zei.’

In haar vorig jaar verschenen boek De rebelse held richtte Rovers een serie brieven aan deze excentrieke, bijna vergeten uitvinder, architect en futuroloog die meer dan een halve eeuw geleden al vliegende auto’s, zelfvoorzienende huizen en duurzame steden ontwierp.

Blijf vrij van geest. Lees onze nieuwsbrief.
Ontvang de beste verhalen van Vrij Nederland in je mail, twee keer per week.

‘We zijn allemaal astronauten op ruimteschip aarde, zei Buckminster Fuller. Als je de aarde als een ruimteschip ziet, snap je dat iedereen met elkaar moet samenwerken. Wanneer bij de linkerromp een gat zit, dan is het logisch dat de mensen rechts voorin ook moeten helpen. Anders gaat het ruimteschip ten onder.’

Extinction Rebellion Nederland, Nu het nog kan, samengesteld onder redactie van Eva Rovers, De Bezige Bij, 192 p., € 10,-.

Meer dan dertig schrijvers, klimatologen, filosofen, hoogleraren, opiniemakers en andere specialisten leverden een bijdrage aan deze bundel.

Het bericht Eva Rovers over klimaatactivisme: ‘We moeten de verantwoordelijken verantwoordelijk houden’ verscheen eerst op Vrij Nederland.

https://www.vn.nl/eva-rovers-klimaatactivisme/

Taalkundig onderzoek: genetisch experimenteren op de vleermuis (Neerlandistiek)

Door Leonie Cornips

Deze week verscheen een persbericht dat onderzoekers van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen en de Ludwig Maximilian Universiteit in München gevonden hebben dat volwassen vleermuizen hun sociale geluiden kunnen veranderen door geluiden in het laboratorium na te bootsen. De onderzoeksvraag die in dit persbericht centraal staat is of andere zoogdieren dan mensen geluiden kunnen leren door imitatie? Maar is deze onderzoeksvraag wel urgent genoeg om intrusief dierproef-onderzoek te rechtvaardigen? Ik stel als taalkundige en academica inderdaad ethische vraagtekens bij de methoden die met dieren uitgevoerd worden en vooral door taalkundigen.
We weten immers dat een heleboel niet menselijke dieren leren imiteren. Vogels bijvoorbeeld zoals de spreeuw en een echte geweldenaar is de ekster in New South Wales, Australië die de talloze brandweersirenes leerde nabootsen tijdens de hevige recente bosbranden. Maar het persbericht vermeldt dat het ‘lastig is’ om zoogdieren te onderzoeken op ‘leren imiteren’ ‘omdat de weinige zoogdieren die het kunnen (walvissen, dolfijnen, zeehonden en olifanten) niet makkelijk te onderzoeken zijn in neurobiologische en genetische studies’. Vandaar dat de volwassen bonte lansneusvleermuizen dierproeven in het laboratorium ondergaan: ze krijgen nu een geprakte banaan omdat ze de test goed uitvoeren en ‘mogen’ dan later omdat ze succesvol zijn genetische experimenten ondergaan. Het voor taalkundigen beroemde gen FoxP2 wordt uitgeschakeld om te zien welke gevolgen dat heeft voor het vocaal leren van vleermuizen. Bij muizen werd overigens recentelijk een menselijk FoxP2 genetisch aangebracht.

Ik plaats meerdere kanttekeningen bij het gebruik van dierproeven in dit type taalkundige onderzoek. Het is overduidelijk dat ze niet noodzakelijk zijn (als dierproeven al te rechtvaardigen zijn) om mensen- of dierenlevens te redden. Bovendien is niet helder waarom de bonte lansneusvleermuis genetische experimenten moet ondergaan. De onderzoekers hopen volgens het persbericht, ‘dat dit onderzoek meer inzicht geeft in het ontstaan van menselijke spraak en taal, en in wat er mis gaat bij genetische spraak- en taalstoornissen.’ Hoe ligt die relatie dan precies tussen FoxP2 in vleermuizen en Foxp2 bij mensen en hoezo kunnen vleermuizen als niet menselijke diersoort ons informeren over erfelijke taalstoornissen bij de menselijke diersoort? Dieren hebben immers geen taal(vermogens) zoals mensen, zeggen de taalkundigen zoals te lezen is op de website van de Radboud Universiteit.

De mededirecteur van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek Simon Fisher behoorde tot het Britse onderzoeksteam dat in 2001 een relatie vond tussen erfelijke taalstoornissen zoals TOS (Taalontwikkelingstoornis) en een afwijking in het menselijk gen FOXP2 door onderzoek binnen een specifieke familie. Toch zegt ook Simon Fisher in De Volkskrant dat die relatie echt niet helder is. Hij zegt:

Dat zou ik nou écht willen weten: wat de volledige rol is van de genen in het taalvermogen van de mens. Want wij hebben in 2001 niet ‘het’ taalgen ontdekt – alsjeblieft zeg. Dat hebben de media ervan gemaakt. Het klonk spectaculair en het was ook een lekker makkelijke manier om onze vondst uit te leggen. Maar goed. Wat we wel hebben ontdekt: er zit op het 7de chromosoom een gen dat FOXP2 heet. Zowel mens als dier heeft dat gen. Als FOXP2 bij een menselijke drager kapot is, dan verandert er iets aan het eiwit dat het aanmaakt. Dat afwijkende eiwit verstoort de werking van het gen. De gevolgen daarvan voor de drager zijn groot. Mensen met zo’n kapot FOXP2 hebben last van spraak- en taalstoornissen. Zulke kinderen worstelen met het vloeiend leren spreken van de moedertaal, en vaak ook met lezen en schrijven. Dat defect is erfelijk.

En zegt hij in hetzelfde interview: ‘Het kan best dat mensen nog veel meer genen hebben die samenhangen met hun taalvermogen; maar dan hebben we die – nog – niet gevonden. En wie weet, blijkt FOXP2 werkelijk het gen waar het allemaal om draait, maar snappen we nog onvoldoende hoe het werkt. De vondst van dat kapotte gen is een eerste beginnetje in de zoektocht naar hoe het kan dat mensen praten.’

Dus hoezo kan een gen bij vleermuizen ons iets vertellen over een erfelijke taalontwikkelingstoornis bij de menselijke diersoort als dit soort onderzoek in zijn kinderschoenen staat? Bovendien beschikt het Max Planck Instituut zo informeert Fisher over ‘scans en dna van zo’n 1.300 mensen. Zo ontstaat een corpus waaraan je vanuit allerlei disciplines kunt werken.’

Dit corpus lijkt me veel crucialer om verfijnder onderzoek te doen naar de rol van FoxP2 bij mensen dan genetisch experimenteren op vleermuizen. Verder beschikken biologen en ethologen inmiddels over grote corpora spraakgeluiden – en ik neem aan ook over DNA – van walvissen, dolfijnen, zeehonden en olifanten. Interdisciplinaire samenwerking met deze onderzoekers kan het gebruik van dierproeven tegengaan. Het is natuurlijk ‘wel lastiger’ onderzoek maar de vraag is of ‘lastig’ wel een academisch en professioneel criterium mag zijn om niet urgent experimenteel genetisch onderzoek toe te passen op dieren. Dieren zijn, volgens de Cambridge Declaratie van 2012 opgesteld door internationale cognitieve wetenschappers, helemaal niet zo verschillend van mensen in cognitie en emotie. Iedere week verschijnt er wel biologisch, ethologisch en cognitief onderzoek waarvan de resultaten uitwijzen dat dieren zoals de bonte lansneusvleermuis, de muis en de chimpansee op dezelfde wijze als de mens stress en pijn ervaren en angst en verdriet voelen.

Kortom, de balans tussen opbrengst van dit type dierproeven en onderzoeksbevindingen in de taalkunde zijn niet goed te verantwoorden. Menselijke nieuwsgierigheid rechtvaardigt geen dierproeven. Ik maak me dus sterk om dierproeven voor taalkundig onderzoek ethisch te herijken. Door de snel verminderende biodiversiteit, het ontstaan van corona-virus en andere zoönoses en de immens groeiende ongelijkwaardigheid tussen de menselijke en overige diersoorten moet dierproeven en genetisch manipuleren van dieren snel op een gemeenschappelijke taalkundige onderzoeksagenda prijken.

Afbeelding: Bonte lansneusvleermuis, Wikimedia

https://www.neerlandistiek.nl/2020/04/taalkundig-onderzoek-genetisch-experimenteren-op-de-vleermuis/

Partij voor de Dieren wil verbod op import kangoeroevlees (Telegraaf)

Landbouwminister Carola Schouten moet zich in de Europese Unie hard maken voor een verbod op de import van kangoeroevlees. Daarvoor pleit de Partij voor de Dieren. Directe aanleiding voor de oproep zijn de felle bosbranden in Australië, waardoor ook kangoeroes zwaar zijn getroffen.

https://www.telegraaf.nl/nieuws/319988943/partij-voor-de-dieren-wil-verbod-op-import-kangoeroevlees