Steken en stoken in de Groote Peel (Nederweert24)

https://www.nederweert24.nl/wp-content/uploads/2021/04/VIA-43a-760x548.jpg

Al in de middeleeuwen had Nederweert zijn oorspronkelijke naam, Merefelt, ingeleverd voor ‘Weert van den Nedersten Eijnde’. Daarmee werd die naam, later ingekort tot Nederweert, tot een administratieve nevenschikking van (Over-)Weert gedegradeerd. Ook al had Nederweert vanaf ca. 1395 heel geleidelijk een onafhankelijke bestuurlijke en financiële positie ten opzichte van Weert gekregen, de relatie met de grote buur bleef er een van stekeligheden.

In 1547 hadden de inwoners van Nederweert een slepend conflict met hun gravin Anna van Egmond. In haar opdracht voerde een kleine legermacht van opgewonden Weerter schutters een raid uit op het dorp. Met turfspaden gewapende Nederweertenaren verschansten zich in de toren van de St. Lambertuskerk. De wekenlange belegering mislukte en de Weerter schutters werden met harde hand teruggedreven naar Weert. 20 Jaar later poogde de calvinistisch gezinde gravin van Horne de godsdienstige reformatie van Weert naar Nederweert te exporteren. Dat stuitte tijdens de Paasmis op groot protest van met name de vrouwelijk inwoners, die de Weerter predikant bijna lynchten onder de kerktoren. Beide campagnes waren mislukt maar versterkten de animositeit en het wederzijdse vliegen afvangen. Ofschoon overwegend goede buren, klinken de echo’s door tot in onze tijd zoals in de oudere discussies over herindeling en recent nog toen het ging over de vestiging van hotels en casino’s.

Roofbouw
Er was een voortdurend en eeuwenoud conflictthema. Dat betrof het gebruik van het heide- en moerasgebied van de Groote Peel, en met name het steken van turf. Daar ging een lange geschiedenis aan vooraf. In de late middeleeuwen was vrijwel het hele bosareaal van het Land van Weert door roofbouw ten onder gegaan. Gelukkig ontdekte men in de loop van de vijftiende eeuw de turf als goedkope en overvloedige bron van brandstof. In 1482 liet graaf Jacob II van Horne als Heer van Weert en Nederweert het gemeenschappelijke gebruiksrecht van de ‘gemene gronden’ (heide en Peel) vastleggen in een privilege. Daarbij werd de benutting toegewezen aan de inwoners van Weert en Nederweert gezámenlijk. Naarmate de bevolking groeide en de Peelvelden slonken, leidde ook hier de schaarste van natuurlijke hulpbronnen tot oplaaiende conflicten. Regelmatig betwistten de Weertenaren en Nederweertenaren elkaar de gebruiksrechten. Het geheugen over de afspraken uit 1482 bleek vluchtig, en de koppigheid was groot.

Veenbrand
In de zomer van 1745 kwam het zelfs tot een gewapend conflict. Met veel bravoure, wapengekletter en geschreeuw annexeerden de Weerter schutterijen de gemene gronden van de zogenaamde Laarderheide. De annexatie mislukte maar de toon was weer gezet. Op het einde van de achttiende eeuw ontstonden er nieuwe conflicten, ditmaal tussen de inwoners en de toenmalige Heren van Chimay, die als bezitter van Weert en Nederweert de inwoners hun oeroude rechten wilden ontnemen. Dat gaf grote heibel en juridische gevechten. Turfstekers waren soms toch wel echte onruststokers. Tot ver in de negentiende eeuw sleepte dit dossier voort. In 1860 kwam het voor de zoveelste keer tot een conflict. Enkele Weertenaren die door de marechaussee tijdens het turfsteken op Nederweerter grond waren gearresteerd, werden door de rechtbank vrijgesproken. De gemeente Weert kon met het privilege uit 1482 in de hand namelijk aantonen dat alle Peelvelden sinds mensenheugenis gemeenschappelijk gebruikt mochten worden. In de gemeenteraadsvergadering van 22 september 1860 besloot het gemeentebestuur van Nederweert desalniettemin tot een tegenoffensief tegen het Weerter bestuur. Dat bleek onhaalbaar en in 1864 besloten de beide gemeentebesturen daarom maar om een eind te maken aan het eeuwenlange gedoe. Er kwam een gemeenschappelijke regeling waarin de wederzijdse gebruiksrechten van de Peel werden bevestigd. De conflicten die bijna 400 jaar als een veenbrand hadden voortgewoekerd, doofden uit en de vredespijp van de Weerter en Nederweerter turfstekers werd in 1864 definitief aangestoken.

Alfons Bruekers
Stichting Geschiedschrijving Nederweert

Bijschriften: Een turfsteker in de Ospelse Peel toont zijn gereedschappen. Foto: Jef Kirkels, collectie SGN

In 2015 sloten de toenmalige burgemeesters van Weert en Nederweert ‘vrede’ in het Pact van Bracieux. Illustratie: Rim Beckers.

https://www.nederweert24.nl/wp-content/uploads/2021/04/VIA-43b-760x635.jpg

Het bericht Steken en stoken in de Groote Peel verscheen eerst op Nederweert24.

https://www.nederweert24.nl/2021/04/11/steken-en-stoken-in-de-groote-peel/

Je baard laten staan is meer dan een trend (het is een crisis) (Vrij Nederland)

Moest er een mantype worden aangewezen dat de huidige cultuur het best verzinnebeeldt, dan is de lumbersexual waarschijnlijk de juiste keuze. De term is in Nederland niet erg bekend, terwijl hij toch al een paar jaar in omloop is. Hij verdient de aandacht, want de lumbersexual (of vernederlandst: lumberseksueel) is diep doorgedrongen in de mainstream. Met zijn baard en zijn tatoeages, zijn geruite flanellen overhemd en zijn bootcut jeans bemant hij straten, cafés en parken. Hij is een bonafide standaard geworden – in elk geval voor mannen boven de vijfentwintig (daaronder overheerst de joggingbroek met sportschoenen als kostuum).

Gaat er geen belletje rinkelen, dan voldoet een blik op het Instagramaccount @lumbersexual, alwaar bebaarde, getatoeëerde, vaak gespierde en soms geheel ontblote mannen poseren. Het liefst in de natuur (bos, beek) en in de nabijheid van een dier (hond, maar gans mag ook). En van cabins, houtvuurtjes, kano’s en vishengels. Dit is een uiterste, natuurlijk, een ideaalplaatje ter inspiratie. Met baard en bierbuik in een werkmansjasje is de vibe ook al goed. Met een barbecue of een boswandeling in boots. Het gaat om het uitdrukken van je identiteit met een aantal lumberseksuele kenmerken, waarvan gezichtshaar het belangrijkste is.

De lumberseksueel moet dan ook worden bezien in het verlengde van de metroseksueel.

De baard kenden we al van de hipster, maar de lumberseksueel is net wat anders. Hij verlegt de hipsterstijl naar een ruigere, stoerdere versie. Zonder echt ruig en stoer te hoeven zijn, het is hoofdzakelijk een verbeelding ervan. De lumberseksueel moet dan ook worden bezien in het verlengde van de metroseksueel, zoals we rond de eeuwwisseling mannen noemden die veel deden aan uiterlijke verzorging. Gladde, haarloze en welriekende mannen die niet bang waren een beetje vrouwelijk over te komen.

De lumberseksueel is een houthakkersversie hiervan (het woord komt van lumberjack, wat houthakker betekent). Hij doet zich mannelijker voor, maar mag op eenzelfde manier met zijn uiterlijk bezig zijn: ‘grooming’ is een van de trefwoorden op @lumbersexual. Er hoort olie in de baard en gel in het haar, uit een alfamannelijk vormgegeven potje. En net als zijn voorganger speelt de lumberseksueel (al dan niet bewust) met genderstereotypen.

Queer look

Dat leverde hem een beschuldiging van culturele toe-eigening op. Journalist Tim Teeman schreef in 2014 dat heteromannen hem zo wel erg deden denken aan de bears en cubs van de homoscene. ‘Eerst kwamen de hetero’s voor de gladde, mooie gay look,’ – de metroman – ‘en nu komen jullie voor onze harige broeders.’ In een interview met de Huffington Post vertelt Teeman dat het ruitenshirt-met-spijkerbroek-tenue al decennia een manier is voor mannen om te seinen dat ze homo zijn. Daardoor wist Teeman andere homo’s te herkennen toen hij in de jaren tachtig net uit de kast was gekomen.

Maar de queer look die Teeman beschrijft was zelf natuurlijk ook een speelse toe-eigening van een hypermannelijk uniform. Dat uniform is terug te leiden tot Paul Bunyan, een geliefde houthakkende reus uit de Amerikaanse folklore. Google het maar eens: op afbeeldingen draagt Bunyan standaard een ruitenhemd, een spijkerbroek en een dikke baard. (En in veel gevallen zelfs een beaniemuts. Hoe 21ste-eeuws kun je het hebben?)

Ook dat is typisch iets van deze tijd: het romantiseren en toe-eigenen van primitief leven.

Bunyan representeert voor Amerikanen het ouderwetse houthakkersleven. Het is makkelijk je daarbij allerlei romantische voorstellingen te maken, maar de vroegere houthakkers waren geenszins te benijden. Ze bevonden zich ‘op de bodem van de kapitalistische economie,’ schrijft historicus Willa Brown in The Atlantic. Het was hard werken voor weinig geld en zonder perspectief. De houthakkers hadden, in tegenstelling tot de lumberseksueel, weinig op met de natuur: die was voor hen levensgevaarlijk, met omvallende bomen en bosbranden. Ze waren er doodsbang voor.

Ook dat is typisch iets van deze tijd: het romantiseren en toe-eigenen van primitief leven. We dromen van rondtrekken in een busje (#VanLife), het bewonen van hutjes en yurts en tiny houses. Een paar jaar terug was het onder rijkelui in Silicon Valley een trend om ongefilterd water drinken.

Mannelijkheidscrisis

Het opmerkelijke aan de lumberseksueel is zijn volharding, vooral wat de baarden betreft. Gewoonlijk nemen de early adopters een nieuwe afslag zodra hun trend mainstream wordt. Voor de baard zou dat rond 2013 moeten zijn geweest. Toen constateerde het voorwaartse magazine Fantastic Man dat de baard de ‘one-size-fits-all mask of choice voor alle mannen boven de achttien’ was geworden. Tijd om te scheren, dus. ‘It is time for the new!’

Sindsdien is de baard nog veel verder genormaliseerd − zelfs Willem-Alexander heeft er een laten staan, en nóg is niemand geneigd hem af te scheren. De lumberseksuele behoefte zit blijkbaar diep.

Het is ook geen trend meer te noemen, eerder een toestand van de moderne man. Waarom die nu heerst? Historicus Willa Brown ziet het antwoord in ‘de mannelijkheidscrisis’. Toen de houthakkersmythe werd uitgevonden, een dikke eeuw geleden, heerste net als nu de gedachte dat de man in crisis was. Destijds had men het over neurasthenie, een soort mannelijke vorm van hysterie.

Metro werd ons teveel, we keren terug tot lumber – van gehaaste stad naar troostrijke natuur.

Waar vrouwen werd geadviseerd uit te rusten, moesten mannen hun vitale krachten terugvinden in de wijde natuur. Nu zit de crisis in de afschaffing van de traditionele mannenrol, als kostwinner en gezinshoofd. ‘Het is erg toepasselijk dat overwegend witte, jonge, stedelijke middenklasse mannen een symbool oppikken dat ooit is uitgevonden door mannen zoals zijzelf,’ schrijft Brown.

Buitenbehoefte

Maar volgens mij zitten er nog andere, sterkere gevoelens achter, die juist dit coronajaar zijn uitvergroot. Zoals ons snakken naar natuur. De plaatjes op @lumbersexual van hutjes in de sneeuw en blote billen in koud natuurwater drukken een verlangen uit dat al vóór de pandemie wijdverspreid was. Vorig jaar is eens te meer duidelijk geworden hoe onwenselijk dicht we op elkaar zitten, en na maanden opsluiting willen we weg van de schermen die alomtegenwoordig zijn. Naar buiten.

Vanzelfsprekend is dat verlangen niet aan mannen voorbehouden. Vrouwen geven uitdrukking aan lumbergevoelens met kabeltruien en hippe outdoorwear, of gewoon met het Bunyan-uniform in een kleinere maat. De buitenbehoefte is ook merkbaar aan de interieurs die we vullen met planten, dierenvellen en ruwe houten meubels. De lumberseksueel lijkt me eerder een reactie op het stedelijke dan op het feminiene aspect van de metroseksueel. Metro werd ons teveel, we keren terug tot lumber – van gehaaste stad naar troostrijke natuur. Op een gecontroleerde en verzorgde manier, dat wel.

Altijd op de hoogte blijven van de beste verhalen? Schrijf je in op onze nieuwsbrief.

Meld je aan en ontvang de beste verhalen van Vrij Nederland in je mailbox.

Oeps! Voer een geldig e-mailadres in.
Op onze nieuwsbrieven is ons cookiestatement van toepassing.
Timmerhout

Het thuiswerken maakt deze voorkeur des te logischer. De opkomst van de lumberseksueel wordt wel gelinkt aan de kredietcrisis van 2008, waarna veel jonge mensen zonder werk kwamen te zitten, of met een ‘nieuwgevonden professionele vrijheid’ (ze werden zzp’er). Met meer thuiswerkende mensen werd het dragen van informele, outdoorsy kleding gangbaarder. Het wakkerde ook de hedendaagse zoektocht naar authenticiteit aan. Naar iets wat echt voelt in deze onbegrijpelijke geglobaliseerde wereld vol bullshit jobs. Iets als timmerhout, dat je kan aanraken, bewerken, in bouwsel of brandstof kan omzetten.

De authenticiteit van de lumberseksueel zelf is natuurlijk twijfelachtig. (‘Je wilt toch niet dat een man speelt dat hij ruig is, wanneer hij dat niet echt is,’ zegt Tim Teeman. ‘Dat is wel het minst sexy dat een gozer kan doen.’) Maar het verlangen lijkt me onvervalst, en vast niet slecht voor de wereld.

Het bericht Je baard laten staan is meer dan een trend (het is een crisis) verscheen eerst op Vrij Nederland.

https://www.vn.nl/baard-lumbersexual/

Ramon woont in Californië: ‘Op mijn oprit stond een lynx voor mijn auto’ (indebuurt Amersfoort)

Ramon Fliek verhuisde in 2004 van Amersfoort naar de Amerikaanse staat Californië. Hij volgde zijn hart, verhuisde naar San Francisco en woont inmiddels in de bergen rond Lake Tahoe. Vanuit zijn tuin kan hij honderden kilometers ver kijken en bij helder weer ziet hij zelfs de Stille Oceaan. Dat is prachtig, maar er zijn ook risico’s. “In de zomer hebben we altijd een vluchtauto klaarstaan met kleding, papieren en eten.”

“Ik ben opgegroeid in het Leusderkwartier en werkte tot 2004 in Meander Medisch Centrum de Lichtenberg”, vertelt Ramon. “Tot ik op een dag in Amsterdam mijn huidige echtgenote Tamara tegenkwam. Ze was daar met vrienden en ik werd haar vakantieliefde.”

Winter in Nederland

Het was niet Ramon die koos voor een leven in de Verenigde Staten. “Tamara heeft eerst in Amersfoort gewoond. Ze had een eigen bedrijf en kon haar werk op afstand doen. Alleen door het tijdsverschil moest ze vaak ’s nachts werken en ik vertrok vroeg in de ochtend naar het ziekenhuis. Dat was lastig. Toen Tamara ook nog eens een vieze natte winter in Nederland had meegemaakt, wist ze zeker dat ze naar Californië terug wilde.”

Tekst gaat verder onder de foto

https://media.indebuurt.nl/amersfoort/2021/02/16143806/Ramon-en-Tamara-Amsterdam-1024x682.jpg

Ramon en Tamara in Amsterdam – Foto: Ramon Fliek

Mee of blijven

“Ik moest kiezen”, vertelt Ramon. “Mee met Tamara of blijven. Een half jaar na haar vertrek verkaste ik naar San Francisco. Ik wilde wel ergens wonen waar iets te beleven was en Tamara is daar opgegroeid. Het is een relatief kleine stad in Amerika. Qua inwoners was het toen vergelijkbaar met Amsterdam. De San Francisco Bay Area is wel heel groot, maar dat zijn meerdere steden. In San Francisco zelf kun je op straat gewoon je kennissen tegenkomen.”

“Toen we in 2008 een huis wilden kopen, konden we hooguit een appartement betalen. Huizen zijn door alle techbedrijven die in de buurt gevestigd zijn heel duur. In Oakland, dat aan de andere kant van de baai ligt, konden we nog net een heel klein huis kopen. In San Francisco is het vaak miezerig en koud, door de zeemist. In Oakland heb je dat niet en je reist met de Underground binnen twintig minuten naar San Francisco. We hadden een jacuzzi en keken uit over de Grote Oceaan.”

Tekst gaat verder onder de fotogalerij

Lake Tahoe

“In de winter huurden we een paar maanden een huis bij Lake Tahoe”, vertelt Ramon. “We gingen daar elk jaar skiën en het idee ontstond om zelf ook iets te gaan verhuren. We hebben lang gezocht en vonden een stuk grond. We zijn in onderhandeling gegaan en hebben het gekocht. Daar hebben we nu een eigen bedrijf opgezet, Reverie Retreat.”

“Ik dacht dat ik een echt stadsmens was. Alles lekker in de buurt en makkelijk. Plots woon je dan ergens waar de supermarkt twintig minuten rijden is”, gaat Ramon verder. “Ik vind het nu heerlijk. Je wordt wakker en hoort vogels fluiten, je hoort de herten rondlopen en ziet grote pootafdrukken van een beer. Er is bijna geen geluid van mensen. Alleen in de zomer hoor je de brandweerwagens. We wonen in een hoog risicogebied voor bosbranden.”

Tekst gaat verder onder de foto

https://media.indebuurt.nl/amersfoort/2021/02/16144246/Bosbranden-in-de-verte-Ramon-Fliek-1024x682.jpg

Uitzicht richting de bosbranden vanaf het huis van Ramon – Foto: Ramon Fliek

Vuur, bevingen en tornado’s

“In de zomer hebben we altijd een vluchtauto klaarstaan met kleding, belangrijke papieren en eten. Dat is het nadeel van in de natuur wonen, maar inmiddels worden ook steden steeds vaker geraakt. In de Bay Area zijn aardbevingen, daar raak je uiteindelijk ook aan gewend. Aan de kust heb je weer last van stormen en erosie. Op andere plekken in de VS heb je tornado’s. Iedere plek heeft wel iets.”

Een beer op het terrein van Ramon – Tekst gaat verder onder de video

Voor het leven met de risico’s van de natuur krijgt Ramon veel terug. “Toen ik een keer onze oprit opreed stond er plots een lynx voor mijn auto, een wilde katachtige die hier voorkomt. Heel bijzonder. Ik ben met behulp van meerdere camera’s gaan ontdekken wat er allemaal leeft op ons terrein. Er loopt zoveel rond! In een hoek van ons terrein wonen twee hele grote beren, die heb ik ook op camera.”

Mountain Lions, wolven en rendieren op het terrein – Tekst gaat verder onder de fotogalerij

Brood shoarma

Ondanks zijn bijzondere leefomstandigheden, mist Ramon Amersfoort wel. “Sowieso mijn zoons en mijn familie”, vertelt hij. “Ik ga normaal gesproken tenminste één of twee keer per jaar terug. Mijn ouders wonen nog in Amersfoort en die zijn al in de tachtig. Die bezoek ik dan, omdat zij niet meer deze kant op kunnen komen.”

“Ik probeer altijd de suite van hotel Long John te boeken. Daar heb je uitzicht over het plein. Eén van de eerste dingen die ik doe is op het terras zitten en een kriek drinken. In de VS is er niet zo’n cultuur om buiten te zitten. Er is altijd lawaai van auto’s. In Amersfoort rijden geen auto’s langs het terras en de binnenstad is ontzettend mooi. Toen Tamara er voor het eerst kwam noemde ze het ‘Disneyland, maar dan in het echt’.”

“Ow”, roept Ramon nog enthousiast. “Ik ga ook altijd een brood shoarma eten. Boerenkool en erwtensoep kun je nog wel goed zelf maken. Maar een echt lekker brood shoarma moet je bij een Nederlandse shoarmazaak eten.”

Moeilijk te begrijpen

“Als je naar het buitenland verhuist, is het soms moeilijk”, sluit Ramon af. “Je spreekt de taal niet, je begrijpt de cultuur niet. Tamara kreeg in Nederland nauwelijks de kans om de taal te leren, omdat iedereen Engels tegen haar sprak. Bij mij werd er soms juist weer te makkelijk gedacht dat ik alles wel begreep, zelfs slang of bepaalde lokale gezegden. Toen ik een keer in Nederland op de markt was, zag ik een verkoper tegen een Turkse man zeggen dat zijn Nederlands niet goed was. Ik merkte dat ik daardoor ontdaan was. Pas als je zelf verhuisd bent naar een ander land, weet je wat dat betekent.”

Ken jij een Amersfoorter in het buitenland?

Van Australië tot Dubai. En van Ierland tot China. Amersfoorters vind je overal! Ken jij iemand die vanuit Amersfoort naar het buitenland is verhuisd? Tip onze redactie en we vertellen graag zijn of haar verhaal aan iedereen in de Keistad.

We zochten nog veel meer voor je uit…

The post Ramon woont in Californië: ‘Op mijn oprit stond een lynx voor mijn auto’ appeared first on indebuurt Amersfoort.

https://indebuurt.nl/amersfoort/amersfoorters/ramon-woont-in-californie-op-mijn-oprit-stond-een-lynx-voor-mijn-auto~116908/

Australië – de longen van de wereld – BRANDT (GeenStijl)

Alweer.

https://image.gscdn.nl/image/ebb324b807_Screen_Shot_2021-02-03_at_17.25.41.jpg?h=True&w=880&s=c9d942571a49d5d50b6aaf2d172cf849

Video

Australië, veel te groot, veel te warm, en veel te veel mooie mensen. Zijn we net afgekoeld van die bosbranden daar vorig jaar (zieke beelden) waarbij meer dan 1 MILJARD dieren het leven lieten, beginnen ze weer. Zij hebben nog wel tradities! Ditmaal woedt de veenbrand rond westkust-stad Perth (maps), staat de regio al 71 huizen in de min en zijn er zes brandweermannen gewond geraakt. En dan vechten ze ook nog tegen het Chinese biowapen, want sinds er 1 nieuwe besmetting opdook, ging de hele stad met twee miljoen inwoners opnieuw in lockdown. Maar goed, boven- en onderstaand de beelden die dan misschien wel nagenoeg identiek zijn aan vorig jaar, maar toch de moeite waard zijn.

Video

Video

https://www.geenstijl.nl/5157532/australie-de-longen-van-de-wereld-brandt/

Wissel Van Dissel (Joop)

https://joop.bnnvara.nl/content/uploads/2020/12/ANP-424797625-370x228.jpg

RIVM-directeur Jaap van Dissel komt dit jaar met regelmaat negatief in het nieuws. Zijn eigen RIVM heeft toegegeven dat hij de Tweede Kamer warme broodjes heeft verkocht over veilig onderwijs. Ook de suggestie dat verplegend personeel gebrek aan bescherming te danken heeft aan gebrek aan opleiding streek veel mensen tegen de haren in. Maar de voorzitter van het OMT diskwalificeerde zich al veel eerder.

Professor Van Dissel is de belichaming van het Nederlandse beleid van “maximale controle”. Deze in januari 2020 gekozen strategie werd achter de voordeur “gecontroleerd uitrazen” genoemd. De aanpak komt neer op het tolereren van vlotte verspreiding van het virus, zolang de gezondheidszorg maar toegankelijk blijft en de meest kwetsbare mensen afgeschermd worden van infectie. Mensen die Covid-19 gehad hebben bouwen immuniteit op. Zo ontstaat weerstand in de bevolking, wat op termijn hopelijk controlemaatregelen overbodig maakt.

Deze strategie heeft ons land al zo’n 20.000 doden doen betreuren door miljoenen mensen te laten besmetten. Zelfs de bescheiden beleidsdoelstellingen worden niet gehaald, nu voor de tweede keer ziekenhuizen vol liggen en ouderen in groten getale het leven laten. Het leger wordt ingeschakeld in de verpleeghuizen, en privéklinieken is gevraagd patiënten over te nemen. Een snelle blik op landen als Noorwegen, Nieuw-Zeeland of Zuid-Korea laat zien dat zoveel schade niet nodig is, en ook ons buurland Duitsland verloor relatief maar een fractie van het Nederlandse aantal doden.

De strategie van topwetenschapper Van Dissel is ook nooit wetenschappelijk geweest. Internationale virologen en epidemiologen hebben al vanaf februari in groten getale het verspreidingsbeleid veroordeeld omdat verspreiding teveel sterfte en andere gezondheidsschade veroorzaakt. Controle op een uitbraak bij een hoge infectiegraad is nooit geprobeerd, en dus ook nooit gelukt. Bij luchtweginfecties worden mensen zelden lang immuun, en viruscirculatie brengt mutaties die immuniteit kunnen overwinnen, of zelfs vaccins. Geen van deze wetenschappelijke inzichten was of is controversieel. Althans, in landen waar Van Dissel niet de pandemie-tsaar is.

Van Dissel draagt ook de verantwoordelijkheid voor de inrichting van het Outbreak Management. Hij koos in januari voor een eenzijdig team van vooral microbiologen, de toppers van de ziekenhuislaboratoria. Epidemiologen, economen, gedragswetenschappers of projectmanagementexperts werden niet uitgenodigd in het OMT-kernteam. Het OMT zelf is al een weeffout, want het vervult de rol van wetenschapsraad én van beleidsraad. De voorzitter is ook nog eens RIVM-directeur en stuurt zo de GGD-en aan qua tests, contactonderzoek en vaccinatie (allemaal reuzenprojecten die ook door bijvoorbeeld huisartsen, strijdkrachten of commerciële partijen gedaan hadden kunnen worden). En hij verdedigt het beleid dat het kabinet koos (met Van Dissel als “kompas waarop wij varen”) in de Tweede Kamer en de media. OMT-adviezen waren tot ver in 2020 slechts beschrijvingen van beslissingen die Van Dissel voorbereidde, ’s weekends met het kabinet afstemde en daarna in het OMT bekrachtigde.

De door Van Dissel in het OMT gezette microbiologen Ann Vossen, Jan Kluytmans en Marc Bonten hebben tot ver in de herfst de Covid-tests kunnen concentreren in de kleinere laboratoria van de ziekenhuizen, in plaats van grote commerciële laboratoria. Meerderen van hen hebben daar ook persoonlijk financieel van geprofiteerd. Ondertussen zijn de notulen van het OMT geheim en moeten de leden een geheimhoudingsverklaring tekenen. De minister houdt het RIVM en OMT uit de wind door in de zomer de Wet Openbaarheid Bestuur op te schorten en uiteindelijk in december met grotendeels zwarte pagina’s over de strategiekeuze op de proppen te komen.

Zo ontstond een ongekende concentratie van macht en middelen die goed projectmanagement, openheid en rekenschap onmogelijk maken. Zelfs als Van Dissel briljante strategiekeuzes maakt en begenadigd gezondheidsdiensten kan aansturen, is zoveel petten dragen teveel voor een mens, en falen ingebouwd. En een OMT van microbiologie-labmanagers onder de GGD-opperbaas is niet in staat de beste adviezen te geven voor ons land in zo’n complexe crisis, al zijn ze de besten in hun vak.

Ook heeft Van Dissel al meteen na de keuze (rond 20 januari 2020) om het virus niet te gaan stoppen een moeizame relatie met de waarheid opgebouwd. Zijn opmerkingen dat het virus niet naar Nederland zou komen “omdat er geen directe vlucht naar Wuhan is” klonk toen al even onwaarachtig als de bewering dat carnaval veilig was “omdat je het in kleine groepen viert”. Meerdere keren presenteerde Van Dissel grafieken in het parlement die met trucs lieten zien dat Nederland het relatief goed doet in deze coronacrisis.

Maar de grootste desinformatie betreft de combinatie van asymptomatische besmetting en aerosolen. In de Kamer vertelde Van Dissel dat hij besloot het virus uit te laten razen omdat de data uit China in januari wees op besmettingen die vooral door mensen die weinig tot geen klachten hebben, die dus door uitgeademde zwevende deeltjes ontstaan (want asymptomatische mensen hoesten niet). Omdat je daarom niet weet wie ziek is, is indammen van de uitbraak bijna onmogelijk, en omdat bijna iedereen nauwelijks ziek wordt, is uitrazen relatief onschadelijk. De ervaringen in andere landen toonden echter al gauw aan dat indammen van zo’n taai virus in de 21e eeuw wél kan, en ook dat dit een gevaarlijk virus is dat procenten van de bevolking doodt of zwaar beschadigt.

Van Dissel zat niet alleen fout met die keuze, hij heeft zelfs daarna structureel de rol van mensen zonder klachten en zwevende virusbolletjes ontkend. Al in februari wist de wereld dat mensen zonder klachten vaak infecties opleverden, en de 2 dagen voor het begin van symptomen juist de meest besmettelijke zijn. Het RIVM blijft hier tot op de dag van vandaag afstand houden van de wetenschap. Toen Van Dissel gevraagd werd waarom zei hij “als we asymptomatische besmetting erkennen moeten de restaurants dicht”.

Het patroon van ontkennen van wat hij heel goed wist zien we ook bij gezichtsmaskers en kinderen. In januari zei Van Dissel nog dat maskers kunnen helpen, vooral door mensen voorzichtiger te maken. Na zijn keuze voor het verspreidingsbeleid sloeg dat om naar “geen bewijs voor maskers” en “schijnveiligheid”. Het tegenwerken van maskers ging zelfs zo ver dat het RIVM op de dag dat Nederland eindelijk een maskerplicht kreeg nog de uitvoering probeerde te belemmeren. Kinderen zijn bij luchtweginfecties meestal de belangrijkste verspreiders en de afgelopen maanden waren scholen ook grote infectiehaarden. Maar Van Dissel beweert tot op de dag van vandaag dat kinderen en scholen een beperkte rol spelen in de verspreiding. Een rechtszaak was nodig om het RIVM daarin wat in beweging te krijgen.

De misleiding en desinformatie die in dit dossier vanuit het RIVM en haar directeur Van Dissel zijn gekomen komen niet uit de lucht vallen, en komen ook niet omdat onze overheid vol foute mensen zit. De goedbedoelde (maar goed onverstandige) keuze het griepdraaiboek van stal te halen betekent dat niet het virus het grootste probleem is, maar angst voor het virus. Als mensen massaal bang zijn gaan ze zich isoleren. Ook bij een extreme griepuitbraak kan dat grote schade aan de economie aanbrengen, bijvoorbeeld als elektriciteitscentrales uitvallen door gebrek aan paraat personeel.

Daarmee is het ontkennen van besmetting zonder klachten onderdeel van het beleid, en ruim sterfte en infecties tellen zeker niet. Dat “verontschuldigt” daarmee ook in zekere zin de desinformatie: bij een enorme crisis als deze is liegen goed te verdedigen als het de natie redt. In dit geval dient het helaas een onverstandige en overmoedige beleidskeuze. En zo ontstaat ook schade aan het vertrouwen in het RIVM, dat als verantwoordelijke voor het Rijksvaccinatieprogramma juist drijft op vertrouwen.

De OMT-voorzitter heeft zo ontegenzeggelijk een spoor van vernieling door de maatschappij getrokken. Alles wat hij als OMT-voorzitter en RIVM-directeur heeft gedaan valt onder de directe verantwoordelijkheid van de minister van Volksgezondheid, Hugo de Jonge. Die moet dan ook op een dag verantwoording afleggen over de strategiekeuze en alle schade die daaruit ontstond aan een op enig moment wakker geworden parlement.

Maar Van Dissel is zó bepalend voor het beleid dat hij toch alle kritische aandacht verdient. Zolang hij blijft zitten maakt een serieuze omschakeling in het beleid weinig kans. Zo’n omschakeling zou ook niet geloofwaardig zijn als Van Dissel die uitvoert. Want met de erkenning dat het beleid anders moet volgt de herkenning van de onnodige fouten en schade. Ook is het kabinet erg gevoelig voor politieke druk uit de samenleving, en dus is aantasting van de populariteit van Van Dissel een goede manier om het beleid te doen kantelen. Premier Rutte is politiek vergroeid met Van Dissel en zal hem niet vrijwillig dumpen, maar misschien dat de huidige politieke chaos en de dalende populariteit van het coronabeleid kansen bieden.

https://joop.bnnvara.nl/opinies/wissel-van-dissel