Recensie: Jean Giono – Heuvel (Tzum)

Hoe kleiner de gemeenschap, hoe minder tegengeluid

De roman Heuvel (Colline) van Jean Giono, verscheen bijna honderd jaar geleden bij de Franse uitgever Grasset. Kiki Coumans, die de indrukwekkende vertaling verzorgde, schrijft in het nawoord dat Giono eerst een andere roman had aangeboden. De uitgeverij vond die roman nog niet goed genoeg, maar wist dat ze ‘een schrijver van kwaliteit binnenhaalde’ en hij kreeg direct een contract voor drie boeken. Colline was direct een succes, mede dankzij het enthousiasme en de pr van André Gide.

In de meer dan vuistdikke Frankrijk trilogie van Bart van Loo (Eten! Lezen! Vrijen!) wordt Giono ergens halverwege kort aangehaald. ‘Op een dag vroeg men aan Goncourt-jurylid Jean Giono waarom hij niet in de Académie Française zetelde. De schrijver antwoordde verontwaardigd en gevat: ‘Maar ik zit er…onder een schuilnaam. Ginds noemen ze me Pagnol.’’ Inderdaad zijn beide schrijvers zeer succesvol geweest in het beschrijven van het leven in Provence. Alleen ging Jean Giono in Heuvel nog een stapje verder, hij betrok de natuur als personage in het verhaal, ze speelt de hoofdrol en is alom aanwezig. De inwoners van een dorpje dat nog maar uit enkele huizen bestaat, leven op de flank van de heuvel. Ze leven in en met de natuur, en de heuvel leeft ook.

Leven? Maar zeker! Want ze beweegt, deze aarde: tien jaar geleden begon ze ineens te schudden; beneden, aan de kant van Aix-en-Provence zijn dorpen ingestort, Lambesc en andere, en de klokken van Manosque luidden heel alleen boven in hun torens.

Er zijn vier huishoudens, sommige met kinderen, andere met ouders in huis of een knecht. De dorpelingen, 12 in getal en een zonderling, dus 13, voelen dat er wat ongrijpbaars te gebeuren staat: ‘gisteren gromde het vredige bosje van de drie wilgen naar zijn broek als een hond die bijten gaat.’ De mannen steken de koppen bij elkaar en noemen eerdere rampen op die hebben plaatsgevonden. Een aardbeving, een storm waarin een kind omkwam, een blikseminslag met dodelijke afloop, en vlak voor al die gebeurtenissen werd er steeds een zwarte kat gezien. Dezelfde die nu weer door het dorp loopt.

https://www.tzum.info/wp-content/uploads/2020/10/Giono-200x300.jpg?x41902

Giono beschrijft op zeer beeldende wijze de mens en zijn verbintenis met en afhankelijkheid van de natuur. Als je in zo’n kleine gemeenschap leeft en er onverklaarbare dingen gebeuren, moet er wel meer aan de hand zijn. Onder het lezen hoor je het gerommel in de verte, je ziet de mannen op het dorpsplein bij de fontein, je ruikt de bosbranden die het dorp naderen. Naarstig zoeken ze een schuldige of juist iemand die het onheil kan keren. Gondran leeft met zijn vrouw en haar vader onder één dak. De oude man ligt in bed en raaskalt. Maar niet altijd. Soms komen er zinnige dingen uit zijn mond. Zou hij weten hoe het zit, zou hij ervoor kunnen zorgen dat het water uit de fontein dat plotseling gestopt is met stromen, weer naar boven komt?

De mannen jutten elkaar op om een schuldige aan te wijzen om zo het mysterie af te wenden. Is het de dorpsgek, is het de oude man, is het de dochter van een van hen die ’s nachts door de velden dwaalt? Giono laat prachtig zien hoe makkelijk mensen geneigd zijn iemand te geloven die een goed verhaal vertelt, die met een plausibele verklaring komt. En hoe kleiner de gemeenschap, hoe minder tegengeluid er is. De mensen uit dit gehucht zijn overgeleverd aan de woeste natuur die hen in haar macht lijkt te hebben, logisch nadenken en nuanceren is dan lastig.

Heuvel is het eerste deel van de Pan-trologie, schrijft Coumans in haar nawoord. Pan, de Griekse god van het vee en het dierlijk instinct, half mens half dier. In deze roman zou hij zomaar tevoorschijn kunnen komen. Het bovennatuurlijke wordt op een geloofwaardige manier beschreven.
We hebben tegenwoordig al het onverklaarbare verklaard en geanalyseerd, maar de ongerepte natuur kan, net als honderd jaar geleden, nog steeds ongrijpbaar zijn en ons daarmee angst inboezemen.

Arjen van Meijgaard

Jean Giono – Heuvel. Vertaald door Kiki Coumans. Vleugels, Bleiswijk. 160 blz. € 23,95.

Het bericht Recensie: Jean Giono – <em>Heuvel</em> verscheen eerst op Tzum.

https://www.tzum.info/2020/10/recensie-jean-giono-heuvel/

Recensie: Robert Haasnoot – Duinbrand (Tzum)

Tegengestelde krachten

Zwaar calvinistische vormen van christendom spelen tot de dag van vandaag een belangrijke rol in de Nederlandse literatuur. Robert Haasnoot voert daarvoor in zijn romans graag het zwaartillende Katwijk aan Zee op, bij hem Zeewijk genoemd. Hij woont er al bijna zijn hele leven en het is dus geen wonder dat zijn werk veel autobiografische elementen bevat. Zo ook in Duinbrand, waarin een groep ‘zigeuners’ ten onrechte meent hier welkom te zijn.

De insteek is veelbeproefd: een jongen en een meisje met totaal verschillende achtergronden raken verliefd, terwijl de groepen waaruit zij afkomstig zijn op voet van oorlog met elkaar staan. In Duinbrand, dat zich afspeelt in de jaren zeventig, gaat het om de dertienjarige Paul, afkomstig uit een benauwd, zwaar gereformeerd gezin en zigeunermeisje Kima, dat meekwam met een grote groep rondtrekkende families. Een accordeonist uit een van die families was ooit eerder in Zeewijk en ondervond daar, als niet bedreigend ervaren eenling, geen kwaad. De Zeewijkers en toeristen gaven hem bovendien gemakkelijk geld voor zijn steeds herhaalde polka’s

https://www.tzum.info/wp-content/uploads/2020/07/Duinbrand-1-189x300.jpg?x48649

Dat hele zigeunerfamilies hier dus welkom zouden zijn, was zijn misrekening. Al snel na hun aankomst in de Zuidduinen ontstaat een dreigende sfeer, gevoed door vooroordelen en misverstanden. De eerst moeizame contacten tussen Paul en Kima, die elkaar niet kunnen verstaan, hebben er aanvankelijk niet onder te lijden.

Haasnoot kent zijn materie door en door, strooit trefzeker met bijbelteksten, die voor de in deze materie niet-ingewijde lezer gemakkelijk lachwekkende vormen aannemen. Het is ook haast niet voorstelbaar dat gezinsleden onderling in zulke hoogdravende raadseltaal spreken om duidelijk proberen te maken wat ze feitelijk bedoelen.:

‘Slecht of minder slecht, we zijn allen van één lap gescheurd,’ zegt Marre-Leu wrevelig. ‘“Er is niemand die goed doet, ook niet één”, zegt de Schrift.’ En ze richt zich weer tot moeder. Legt een hand op haar onderarm. ‘Maar het is een eeuwig wonder van ontfermende genade dat de Heere toch nog bemoeienis wil hebben met gevallen Adamskinderen. Dat Hij in Zijne goedheid sommige van hen uit de wereld wil trekken tot Zijn wonderbaar licht. Ondanks dat zij na de bondsbreuk alles, maar dan ook álles verbeurd hebben.’
‘Precies,’ zegt vader. ‘En dat naar zijn soeverein, vrijmachtig welbehagen.’

De puberromance staat model voor intermenselijke contacten, in het bijzonder met vreemdelingen, die niet vergiftigd zijn door vooraannames en kwaadwilligheid. Haasnoot springt daarbij moeiteloos van de ene scene naar de andere en weer terug, waarmee de gelijktijdigheid van bepaalde ontwikkelingen mooi uitkomt. Terwijl Paul en Kima, die zich in eigen kring gevangen voelen, maar zich er toch ook niet geheel van los willen of kunnen maken, elkaar naderen, bereiden bepaalde krachten van beide kampen zich elders in het dorp voor op een harde botsing. De laatsten zijn niet bereid om met een open blik naar de ander te kijken. Wat de bekeerde en daardoor volledig in haar geloof doorgeslagen Marre-Leu is in de gereformeerde omgeving, is Taleyta, die overtuigd is van bovennatuurlijk krachten en Kima ‘behekst’, in het kampement van de zigeuners.

Haasnoot kent het zwaar gereformeerde wereldje dus van nabij en geeft daar ook voortdurend blijk van, Duinbrand is echter vooral een roman met een impliciet antropologische blik, waarin hij beide opgevoerde groepen met kritische distantie benadert. Daarmee voorkomt hij doeltreffend dat het boek in oppervlakkigheid blijft steken.

André Keikes

Robert Haasnoot – Duinbrand. De Geus, Amsterdam, 248 blz. € 20.

Het bericht Recensie: Robert Haasnoot – <em>Duinbrand</em> verscheen eerst op Tzum.

https://www.tzum.info/2020/07/recensie-robert-haasnoot-duinbrand/

De Vijftien Tekenen van de Eindtijd (Neerlandistiek)

Oude Folklore in het Oudfries, deel 5

https://i1.wp.com/www.neerlandistiek.nl/wp-content/uploads/2020/05/Sterken-Aldfrysk-5.jpg?resize=548%2C549&ssl=1

Schildering van het Laatste Oordeel in de kerk van Uithuizen (in de provincie Groningen, vroeger onderdeel van het Grote Friesland). Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Door Arjan Sterken

De wereld staat in brand. Een paar maanden geleden was dat nog letterlijk zo, toen Australië kampte met één van de hevigste bosbranden sinds de opgetekende geschiedenis. Eerder in 2020 dreigde de Derde Wereldoorlog, en vanaf maart raast er een nieuwe pest over de wereld. Ondertussen dreigen nieuwe economische recessies, en ook de klimaatproblematiek moeten we niet vergeten. Dit plaagt het laaggelegen Nederland, waar ook het vroegere gebied van het Grote Friesland weer opgeslokt kan worden door die wilda witzinges sees flod, zoals al zo vaak gebeurde in het verleden. Sterker nog, tegenwoordig kampen vroegere koloniën van de Friezen met dit probleem: de Noord-Duitse Waddeneilanden, die door de Friezen in de 7e of 8e eeuw gekolonialiseerd zijn (Bremmer 2009, p. 6), worden op natuurlijke wijze 2,5 millimeter per jaar opgehoogd, terwijl de zeespiegel van de zee met 4,5 millimeter per jaar stijgt (“Veertig keer per jaar stroomt het water over de kwelder in de Duitse wadden,” Volkskrant bijlage Boeken & Wetenschap, 28 maart 2020). Het Grote Friesland is al in de 15e eeuw verdwenen, maar nu nadert het einde ook voor hun nazaten.

De oude Friezen waren echter niet zo bezig met het einde der tijden. Heel soms noemen ze de zogenaamde ‘Jongste Dag’, of het Laatste Oordeel, waarop Christus terugkomt om het Nieuwe Jeruzalem in te luiden en over ieder mens te oordelen, zoals in het Rudolfsboek (in Jus Municipale Frisonum) (Buma en Ebel 1977, p. 376-377). Deze Jongste Dag is ook het onderwerp van één tekst, de Vijftien Tekenen van de Jongste Dag, alleen te vinden in het Eerste Rustringer Handschrift (Buma en Ebel 1963, p. 90-95). Het is geen unieke tekst: vergelijkbare teksten zijn vrij populair vanaf de 11e eeuw in allerlei talen (Giliberto 2007, p. 129-130). De tekst wordt als eerst gevonden in de Latijnse tekst Epistola de die iudicii van Peter Damian in 1062 (p. 133), maar de ultieme oorsprong is onbekend (p. 132). De tekst zelf geeft aan dat het van sint Hiëronymus (of Jeroen) afkomstig is, maar een vergelijkbare tekst is niet gevonden in sint Jeroen’s oeuvre (p. 135). De versie in het Eerste Rustringer Handschrift zelf is terug te voeren op een Oudengelse homilie die valselijk wordt toegeschreven aan sint Beda (p. 130).

De eerste vijf tekenen van de eindtijd in deze tekst gaan over water, wat begrijpelijk is als men bedenkt hoe het Grote Friesland met het water leefde. Elk teken vindt plaats op één dag, en op de eerste dag stijgt het water veertig vadem. Wat de precieze maat voor een vadem is, is onduidelijk. In het zuiden van Europa vinden we afmetingen van rond de 1,6 meter, en in het noorden vaker 1,8 meter. Deze muur van water, die boua alle bergon uitkomt, is dus iets van 64 of 72 meter hoog. Voor Friesland, Groningen, en Ostfriesland is dat inderdaad wel hoog genoeg om alles te bedekken. Alleen de Martinitoren in Groningen Stad komt daar bovenuit, maar goed, Stad werd ook vaak niet echt meegerekend tot het Friese gebied. En, wellicht tot opluchting van de meeste Groningers, zal het nieuwe Forum wel helemaal onder water komen te staan. Helaas geldt dat ook voor de Noord-Duitse Waddeneilanden, die nu wel met iets meer dan 4,5 millimeter zeespiegelstijging rekening moeten houden.

Op de tweede dag daalt het water weer naar het normale niveau, maar niet voor lang. Op de derde dag valt al het water weg. Of, beter gezegd, zo diep thet se nen age bisia ne mi (dat het door geen oog kan worden gezien). Dit is desastreus voor de vissen, die zich op de vierde dag verzamelen en hun klaagzang schreien. Niemand hoort dit (zoals ook mensen goed kunnen zijn in het negeren van ecologische rampen), behalve God. Het is een beetje verwarrend hoe dit nou precies werkt: zijn die vissen nou helemaal van de bodem van de wereld naar boven geklommen, om daar hun klaagzang tot dovemans-oren te richten? Volgens Giliberto is dit een fout van de kopiist: in andere versies van de tekst zinkt het water eerst uit zicht, en de volgende dag herstelt het zich weer naar het normale niveau (2007, p. 137-138). Dit is veel logischer, ook als je meeneemt dat het water op de vijfde dag in de hens vliegt, fon asta there wralde to westa there wralde (van het oosten van de wereld tot het westen van de wereld).

Goed, nu we het water hebben gehad, wordt vervolgens het land geteisterd. Op de zesde dag worden alle gewassen op aarde bedekt door een bloedachtige dauw. Mocht het water je nog niet gealameerd hebben, dan hoop ik dat dit toch zeker het teken is dat er iets vreemds aan de hand is. Hierna wordt het niet veel beter. Op de zevende dag storten alle gebouwen fon asta there wralde to westa there wralde in, en op de achtste dag alle bergen. Als dat nog niet genoeg schade is volgt op de negende dag de grootste aardbeving die de wereld ooit heeft gekend. Wordt Groningen, dat ooit tot het Grote Friesland behoorde, hierop al voorbereid? Hoe het ook zij, deze vernietiging was noodzakelijk, want op de tiende dag brengt God de wereld terug naar de status waarop deze geschapen is. Wat dat precies betekent is mij niet helemaal duidelijk: is het een woestenij van lege wateren waarover God met zijn geest zweeft, zoals in Genesis 1:2? Hoe dan ook, pas nu begint de mensheid in paniek te raken. Op grote rampen reageert men kennelijk pas laat, net zoals op de Covid-19 pandemie. Op de elfde dag gebeurt wat men ook in elke apocalyptische film ziet: de mensen keren zich tegen elkaar en verliezen door de paniek hun taalgebruik. Gelukkig zijn we nog niet zo ver, hoewel Trump’s praktisering van het taalvermogen misschien een voorloper is van deze symptomen.

Veel tijd om hierop te mediteren hebben we niet. Op de twaalfde dag worden alle beenderen van de wereld op één plaats bijeengebracht, en op de dertiende dag vallen dan ook nog eens alle sterren uit de hemel. Gelukkig hoeven we niet lang te lijden in deze duistere, lege wereld, want op de veertiende dag zullen we allemaal sterven, om daarna op te staan met alle andere doden voor het Laatste Oordeel. Volgens Giliberto worden in de Latijnse bronnen de twaalfde en dertiende dag vaak omgedraaid: eerst vallen alle sterren uit de hemel, waarna alle botten zich op één plek verzamelen (2007, p. 138). Ik vraag me af of het niet logischer zou zijn geweest als de volgorde anders was geweest: eerst vallen de sterren uit de hemel, waarna iedereen sterft. Daarna worden alle botten op één plek verzameld zodat de Heropstanding een soort festival wordt: iedereen bij elkaar voor een laatste feest voordat Christus mith alle sine anglon and mith alle sine heligon (met al zijn engelen en al zijn heiligen) het Laatste Oordeel komt brengen op de vijftiende en laatste dag. Op deze laatste dag zal de hele wereld trillen alsa thet espene laf (als populierenbladeren, vgl. als een espenblad), die volgens legenden altijd trillen omdat het hout van een populierenboom is gebruikt voor het kruis waar Christus op gekruisigd is (Giliberto 2007, p. 148). Maar goed, gezien de staat van de wereld op dit moment kunnen we dit alles nog later dit jaar verwachten. Fijn dat we in elk geval weten wat ons te wachten staat.

Referenties

Primaire bronnen

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1963. Das Rüstringer Recht. Göttingen: Musterschmidt-verlag.

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1977. Westerlauwerssches Recht I: Jus Municipale Frisonum, Zweiter Teil. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Secundaire Literatuur

Arbouw, Ernst. 28 maart 2020. “Veertig keer per jaar stroomt het water over de kwelder in de Duitse wadden.” Volkskrant bijlage Boeken & Wetenschap, p. 22-25.

Bremmer, Rolf. 2009. An Introduction to Old Frisian: History, Grammar, Reader, Glossary. Philadelphia: John Benjamins Publishing Company.

Giliberto, Concetta. 2007. ‘The Fifteen Signs of Doomsday of the First Riustring Manuscript’. In Advances in Old Frisian Philology, geredigeerd door Rolf Bremmer, Stephen Laker, en Oebele Vries, 129–52. Amsterdam: Rodopi.

https://www.neerlandistiek.nl/2020/05/de-vijftien-tekenen-van-de-eindtijd/

Taalkundig onderzoek: genetisch experimenteren op de vleermuis (Neerlandistiek)

Door Leonie Cornips

Deze week verscheen een persbericht dat onderzoekers van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen en de Ludwig Maximilian Universiteit in München gevonden hebben dat volwassen vleermuizen hun sociale geluiden kunnen veranderen door geluiden in het laboratorium na te bootsen. De onderzoeksvraag die in dit persbericht centraal staat is of andere zoogdieren dan mensen geluiden kunnen leren door imitatie? Maar is deze onderzoeksvraag wel urgent genoeg om intrusief dierproef-onderzoek te rechtvaardigen? Ik stel als taalkundige en academica inderdaad ethische vraagtekens bij de methoden die met dieren uitgevoerd worden en vooral door taalkundigen.
We weten immers dat een heleboel niet menselijke dieren leren imiteren. Vogels bijvoorbeeld zoals de spreeuw en een echte geweldenaar is de ekster in New South Wales, Australië die de talloze brandweersirenes leerde nabootsen tijdens de hevige recente bosbranden. Maar het persbericht vermeldt dat het ‘lastig is’ om zoogdieren te onderzoeken op ‘leren imiteren’ ‘omdat de weinige zoogdieren die het kunnen (walvissen, dolfijnen, zeehonden en olifanten) niet makkelijk te onderzoeken zijn in neurobiologische en genetische studies’. Vandaar dat de volwassen bonte lansneusvleermuizen dierproeven in het laboratorium ondergaan: ze krijgen nu een geprakte banaan omdat ze de test goed uitvoeren en ‘mogen’ dan later omdat ze succesvol zijn genetische experimenten ondergaan. Het voor taalkundigen beroemde gen FoxP2 wordt uitgeschakeld om te zien welke gevolgen dat heeft voor het vocaal leren van vleermuizen. Bij muizen werd overigens recentelijk een menselijk FoxP2 genetisch aangebracht.

Ik plaats meerdere kanttekeningen bij het gebruik van dierproeven in dit type taalkundige onderzoek. Het is overduidelijk dat ze niet noodzakelijk zijn (als dierproeven al te rechtvaardigen zijn) om mensen- of dierenlevens te redden. Bovendien is niet helder waarom de bonte lansneusvleermuis genetische experimenten moet ondergaan. De onderzoekers hopen volgens het persbericht, ‘dat dit onderzoek meer inzicht geeft in het ontstaan van menselijke spraak en taal, en in wat er mis gaat bij genetische spraak- en taalstoornissen.’ Hoe ligt die relatie dan precies tussen FoxP2 in vleermuizen en Foxp2 bij mensen en hoezo kunnen vleermuizen als niet menselijke diersoort ons informeren over erfelijke taalstoornissen bij de menselijke diersoort? Dieren hebben immers geen taal(vermogens) zoals mensen, zeggen de taalkundigen zoals te lezen is op de website van de Radboud Universiteit.

De mededirecteur van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek Simon Fisher behoorde tot het Britse onderzoeksteam dat in 2001 een relatie vond tussen erfelijke taalstoornissen zoals TOS (Taalontwikkelingstoornis) en een afwijking in het menselijk gen FOXP2 door onderzoek binnen een specifieke familie. Toch zegt ook Simon Fisher in De Volkskrant dat die relatie echt niet helder is. Hij zegt:

Dat zou ik nou écht willen weten: wat de volledige rol is van de genen in het taalvermogen van de mens. Want wij hebben in 2001 niet ‘het’ taalgen ontdekt – alsjeblieft zeg. Dat hebben de media ervan gemaakt. Het klonk spectaculair en het was ook een lekker makkelijke manier om onze vondst uit te leggen. Maar goed. Wat we wel hebben ontdekt: er zit op het 7de chromosoom een gen dat FOXP2 heet. Zowel mens als dier heeft dat gen. Als FOXP2 bij een menselijke drager kapot is, dan verandert er iets aan het eiwit dat het aanmaakt. Dat afwijkende eiwit verstoort de werking van het gen. De gevolgen daarvan voor de drager zijn groot. Mensen met zo’n kapot FOXP2 hebben last van spraak- en taalstoornissen. Zulke kinderen worstelen met het vloeiend leren spreken van de moedertaal, en vaak ook met lezen en schrijven. Dat defect is erfelijk.

En zegt hij in hetzelfde interview: ‘Het kan best dat mensen nog veel meer genen hebben die samenhangen met hun taalvermogen; maar dan hebben we die – nog – niet gevonden. En wie weet, blijkt FOXP2 werkelijk het gen waar het allemaal om draait, maar snappen we nog onvoldoende hoe het werkt. De vondst van dat kapotte gen is een eerste beginnetje in de zoektocht naar hoe het kan dat mensen praten.’

Dus hoezo kan een gen bij vleermuizen ons iets vertellen over een erfelijke taalontwikkelingstoornis bij de menselijke diersoort als dit soort onderzoek in zijn kinderschoenen staat? Bovendien beschikt het Max Planck Instituut zo informeert Fisher over ‘scans en dna van zo’n 1.300 mensen. Zo ontstaat een corpus waaraan je vanuit allerlei disciplines kunt werken.’

Dit corpus lijkt me veel crucialer om verfijnder onderzoek te doen naar de rol van FoxP2 bij mensen dan genetisch experimenteren op vleermuizen. Verder beschikken biologen en ethologen inmiddels over grote corpora spraakgeluiden – en ik neem aan ook over DNA – van walvissen, dolfijnen, zeehonden en olifanten. Interdisciplinaire samenwerking met deze onderzoekers kan het gebruik van dierproeven tegengaan. Het is natuurlijk ‘wel lastiger’ onderzoek maar de vraag is of ‘lastig’ wel een academisch en professioneel criterium mag zijn om niet urgent experimenteel genetisch onderzoek toe te passen op dieren. Dieren zijn, volgens de Cambridge Declaratie van 2012 opgesteld door internationale cognitieve wetenschappers, helemaal niet zo verschillend van mensen in cognitie en emotie. Iedere week verschijnt er wel biologisch, ethologisch en cognitief onderzoek waarvan de resultaten uitwijzen dat dieren zoals de bonte lansneusvleermuis, de muis en de chimpansee op dezelfde wijze als de mens stress en pijn ervaren en angst en verdriet voelen.

Kortom, de balans tussen opbrengst van dit type dierproeven en onderzoeksbevindingen in de taalkunde zijn niet goed te verantwoorden. Menselijke nieuwsgierigheid rechtvaardigt geen dierproeven. Ik maak me dus sterk om dierproeven voor taalkundig onderzoek ethisch te herijken. Door de snel verminderende biodiversiteit, het ontstaan van corona-virus en andere zoönoses en de immens groeiende ongelijkwaardigheid tussen de menselijke en overige diersoorten moet dierproeven en genetisch manipuleren van dieren snel op een gemeenschappelijke taalkundige onderzoeksagenda prijken.

Afbeelding: Bonte lansneusvleermuis, Wikimedia

https://www.neerlandistiek.nl/2020/04/taalkundig-onderzoek-genetisch-experimenteren-op-de-vleermuis/