De Nederlandse natuur lijdt en dat is ook jouw probleem (OneWorld)

https://www.oneworld.nl/app/uploads/2020/07/iStock-178799843-875x583.jpg

Koolmeeskuiken

In de krantenkoppen smelt het poolijs en op tv staan de regenwouden in brand, maar de rest van de dag zijn die problemen maar ver weg. Hoewel? Ook de Nederlandse natuur zucht onder de mensheid. Drie urgente problemen voor de Nederlandse natuur, die ook jou aangaan.

Als ik me een keer uit de stad en in de natuur begeef, zet ik m’n oren wagenwijd open. Ik probeer me te verwijderen van alles wat me aan mensen herinnert tot ik alleen nog vogels hoor, kikkers, het gezoem van insecten. Geen auto’s, geen gillende kinderen, dat moment dat er even geen vliegtuig over dendert. Het zal een vorm van meditatie zijn; ik vind het heerlijk om me op zulke momenten voor te stellen dat er niets aan de hand is. Dat de insecten het niet zwaar hebben, dat de wereld niet opwarmt.

Dit is het droogste voorjaar ooit in Nederland gemeten

Met dat gedachtenexperiment kom ik op het moment helaas niet weg. Waar klimaatverandering vaak redelijk ongrijpbaar blijft, zijn aanhoudende bosbranden in ons eigen kikkerlandje dat zeker niet. En er blijkt veel meer aan de hand, merk ik de laatste weken als ik kranten, websites en mails lees. Wat kunnen natuurexperts me hierover vertellen?

Recorddroogte

Was de ‘intelligente lockdown’ niet een stuk draaglijker door het lieflijke lentezonnetje dat door de ramen scheen? De bossen en parken die daardoor zo uitnodigend waren? Het zal je niet ontgaan zijn: het heeft nauwelijks geregend. Goed mogelijk dat je het woord ‘record’ in de context van het klimaat niet meer kunt horen, maar – het moet gezegd – er was sprake van een recorddroogte. Het droogste voorjaar ooit in Nederland gemeten.

Dat had onder meer tot gevolg dat er deze lente flinke bosbranden woedden. Niet alleen in de Amazone of Australië dus, maar gewoon hier, in eigen land. In het Natura2000-gebied de Deurnese Peel bijvoorbeeld, in Zuidoost-Brabant, maakte een grote brand ruim 800 van de 1000 hectare met de grond gelijk. De brand werd pas vorige week officieel geblust verklaard.1

Kwetsbare waternatuur dreigt te verdwijnen. Ik ben bang dat het nu superhard gaat

Erik de Jonge, boswachter bij Brabants Landschap, vertelt over andere gevolgen: “Ik heb hier een prachtig stuk moeras dat we nog nooit droog hadden zien staan. Drie jaar geleden gebeurde dat aan het eind van de zomer tot onze verbazing voor het eerst. Vorig jaar gebeurde hetzelfde, alleen toen al halverwege de zomer.” En je raadt het al: “Nu stond het in april al droog. Kwetsbare waternatuur dreigt te verdwijnen. Ik ben bang dat het nu superhard gaat.”

Dit jaar heeft geen een van de lepelaarkuikens het overleefd

Hij is aangedaan door het gigantische bijenveld – een veld vol bij-vriendelijke bloemen – dat ze dit jaar hadden ingezaaid maar waarvan elke kiem is verschroeid, en niet minder door een vogeleiland dat opeens geen eiland meer is: “Een prachtig vogelparadijs, waar duizenden vogels normaal gesproken in alle rust broeden. Deze lente was de waterstand zo laag dat vossen er op hun dooie gemak heen konden lopen. Vorig jaar hadden we nog de grootste lepelaarskolonie van Nederland met 290 nesten. Dit jaar heeft geen een van de kuikens het overleefd.”

Een week geleden stonden de regenwolken weer aan de hemel, er komt nog altijd water uit de kraan, en je denkt al snel dat het allemaal wel weer goedkomt. Toch is het tij nog niet gekeerd, vertelt Wiebe Borren, hydroloog bij Natuurmonumenten: “Verschillende plant- en diersoorten hebben een enorme klap gekregen. De regen die nu valt verandert bijvoorbeeld niets aan het feit dat de weidevogels een heel mager broedsucces hadden. Als het volgend jaar weer zo is, wordt het al een stuk problematischer – dan mis je twee generaties.” Hetzelfde geldt voor bomen: “De droogte van 2018 hebben veel bomen overleefd, maar het heeft ze wel verzwakt. Daardoor konden veel deze nieuwe klap niet aan.”

Als de natuur in de problemen zit, zitten we dat allemaal

Borren vervolgt: “Als de droogte zich herhaalt en we niets veranderen aan het waterbeheer, dan stapelen de effecten zich op.” Waterbeheer inderdaad, want bovenop de weinige regenval komt slecht watermanagement. De landbouw bijvoorbeeld, vertelt Borren, pompt gigantisch veel water uit de grond voor beregening van gewassen – niet zelden met of zonder vergunning dicht bij kwetsbare natuurgebieden die daardoor letterlijk droog komen te staan.

Vorig jaar zomer draaiden er in Noord-Brabant volgens Natuurmonumenten alleen al veertienduizend grondwaterpompen, die samen anderhalf keer zoveel water oppompten als er in de hele provincie aan drinkwater wordt gewonnen. Het waterbeheer is daarnaast nog altijd te veel gericht op het afvoeren in plaats van vasthouden van water, meent Borren –  van oudsher was het issue vooral hoe we een teveel aan water kwijtraakten. Maar nieuwe tijden vragen om nieuwe maatregelen.

Pesticiden in beschermde natuurgebieden

Wat vond boswachter De Jonge van het nieuws dat er landbouwpesticiden tot diep in natuurgebieden zijn aangetroffen? “Dat kwam wel even hard aan”, zegt hij. “Wij dachten dat we het in Brabant wel goed hadden geregeld, omdat we hier op het landschap uiteraard geen pesticiden gebruiken. Nu ben ik bang dat het hier nog vele malen erger zal zijn, want wij zitten hier midden in een intensief landbouwgebied. Onze jaarlijkse vlindertelling laat een neerwaartse lijn zien, zal dat dan toch ook daarmee te maken hebben?”

In Drentse natuurgebieden zijn maar liefst 31 verschillende bestrijdingsmiddelen aangetroffen

Wat is er precies aan de hand? Begin deze maand werd bekend dat in Drentse natuurgebieden maar liefst 31 verschillende bestrijdingsmiddelen zijn aangetroffen. Sterker nog, in alle vegetatiemonsters die door het burgerinitiatief Meten=Weten zijn afgenomen, hoe diep in het gebied ook, werden bestrijdingsmiddelen aangetroffen. Soms tot wel vijftien verschillende soorten per monster, waaronder zelfs enkele middelen die helemaal niet zijn toegestaan in Nederland, maar blijkbaar ‘stiekem’ zijn gebruikt.

De landbouw, met bijbehorende pesticiden, is de nummer 1 oorzaak van het uitsterven van insecten

Meten=Weten en Natuurmonumenten roepen minister Carola Schouten (Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid) dringend op om nader te onderzoeken wat de pesticiden betekenen voor insecten en bodemleven. Over de uitslag van zo’n onderzoek bestaat een donkerbruin vermoeden. De onderzoekers schrijven zelf onheilspellend: ‘Insecticiden […] kunnen leiden tot minder insecten en daarmee het ineenstorten van vogelpopulaties die daarvan afhangen.’

Wereldwijd wordt om precies te zijn 40 procent van alle insecten met uitsterven bedreigd, bleek vorig jaar uit een rapport van de VN-organisatie IPBES. De landbouw, met bijbehorende pesticiden en verandering van leefgebied, werd door IPBES als nummer één oorzaak .

De Nederlandse toxicoloog Henk Tennekes luidde een decennium geleden al de noodklok. Hij meende dat we door bepaald pesticidegebruik afstevenen op ‘een ecologisch armageddon’. Zijn theorie werd onder meer door grote pesticidefabrikanten ontkend en Tennekes werd al ‘activistisch’ terzijde geschoven; zijn bevindingen verdwenen in de doofpot. Jaren later, toen het kwaad al was geschied, kreeg hij alsnog gelijk.

Stikstofcrisis krijgt een staartje

Alles wat je moet weten over stikstof

Een paar dagen na het nieuws over de pesticiden stond onze natuur opnieuw in de schijnwerpers. Ditmaal in de vorm van het eindrapport van de Commissie Remkes, die in opdracht van minister Schouten in de stikstofproblematiek is gedoken. De stikstofcrisis legde vorig jaar de bouw grotendeels plat. Boeren mochten daarnaast niet meer uitbreiden en de maximale snelheid op de wegen werd verlaagd naar 100 kilometer per uur. Waarom? De hoogste bestuursrechter van Nederland oordeelde dat ons stikstofbeleid niet voldoet aan de Europese natuurwetgeving – we stoten er te veel van uit en daar lijdt de natuur onder.

Bepaalde planten gaan bij een teveel aan stikstof dood, waar anderen juist gedijen en gaan woekeren. Het gevolg: monocultuur. Minder insecten, dus minder vogels, dus – uiteindelijk – minder grotere roofdieren.

Er worden koolmeeskuikens met gebroken pootjes in nesten gevonden

Nog een ander gevolg, dat je niet direct ziet aankomen: er worden steeds vaker koolmeeskuikens met gebroken pootjes in nesten gevonden. De bodem verzuurt door stikstof en bepaalde mineralen spoelen weg. Wat volgt is een kettingreactie. Als planten te weinig kalk opnemen, krijgen ook insecten er te weinig van binnen waardoor de vogels die hen eten met zwakke botten zitten.

De conclusie van de commissie Remkes: het huidige beleid is nog altijd te vrijblijvend en gaat niet ver genoeg. De overheid wordt op de vingers getikt met haar streven om in 2030 26 procent stikstofreductie waar te maken ten opzichte van 2019 – de commissie zegt dat dit 50 procent moet zijn. Het is de komende tijd aan de minister om met de adviezen tot nieuw beleid te komen.

Financiële risico’s

Het zijn geen makkelijke tijden voor de Nederlandse natuur. En als de natuur in de problemen zit, zitten we dat allemaal. “Even een heel herkenbaar voorbeeld”, begint Borren. “De eikenprocessierups, daar zouden we veel minder last van hebben als de natuur in balans was – als er onder die eikenbomen voldoende gevarieerde vegetatie groeit, waarin insecten gedijen, zodat er meer vogels in de buurt zijn om ons van die rupsen af te helpen.”

Delen van Nederland worden steeds stiller en kleurlozer: geen gefluit en gezoem meer van vogels en insecten

Kijken we naar het grotere plaatje, dan heeft een verlies aan biodiversiteit ook impact op de economie, stelden de Nederlandsche Bank (DNB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) vorige week. Nederlandse banken, verzekeraars en pensioenfondsen hebben wereldwijd zo’n 510 miljard euro gestoken in bedrijven die ‘zeer afhankelijk’ zijn van ‘ecosysteemdiensten’.

Insecten worden genoemd als voorbeeld van een leverancier van zo’n dienst: als bestuivende insecten in de problemen komen, is de landbouwsector een van de eersten die dat zal voelen. Maar de landbouw is niet de enige: ook bedrijven in de visserij of de bouw kunnen in de problemen komen door verstoorde ecosystemen.

“Wat ik vooral zie is dat delen van Nederland steeds stiller en kleurlozer worden”, besluit Borren. “Geen gefluit van vogels, gezoem van insecten. Het gaat sluipenderwijs en we hebben het in eerste instantie misschien niet eens door…” Maar over een paar jaar kijken we terug en denken we, ‘hadden we dat nou maar iets anders gedaan’.

De Jonge doet wat hij kan: “Ik heb hier stiekem wat sloten afgedamd zodat het water niet weg kan lopen. Het waterschap zal er niet blij mee zijn, maar ik ga niet hulpeloos toekijken.”

‘Corona kan ons leren hoe we de klimaatcrisis moeten aanpakken’

‘De natuur vernietigen moet strafbaar worden’

Channa Brunt

  1. In deze grafiek van het KNMI zie je in één oogopslag hoe uitzonderlijk de droogte van dit voorjaar is. ↩︎

Het bericht De Nederlandse natuur lijdt en dat is ook jouw probleem verscheen eerst op OneWorld.

https://www.oneworld.nl/lezen/klimaat/de-nederlandse-natuur-lijdt-en-dat-is-ook-jouw-probleem/

CO2-balans bij gebruik van biomassa als energiebron (Klimaatverandering blog)

Gastblog van Prof. Guido van der Werf

Biomassa is onze oudste bron van energie maar is geleidelijk vervangen door fossiele brandstoffen. De laatste decennia is er weer een opleving van het gebruik van biomassa, met als doel fossiele brandstoffen te vervangen door bronnen met een lagere netto CO2-uitstoot. Biomassa is een containerbegrip met veel verschillende toepassingen, maar in de maatschappelijke discussies gaat het vaak over meestook van pellets (samengeperste stukjes hout) in kolencentrales, en over biomassacentrales op pellets of houtchips voor de productie van warmte. Onlangs is vanuit het PBL een lijvig rapport verschenen onder leiding van Bart Strengers en Hans Elzenga over beschikbaarheid en toepassingsmogelijkheden van alle vormen van biomassa. Het rapport staat uitgebreid stil bij de verschillende perspectieven die een rol spelen bij de beeldvorming. Zo maken sommige mensen zich zorgen over aantasting van natuur en biodiversiteit, of over de invloed van het verbranden van biomassa op luchtkwaliteit. Anderen betwijfelen of het wel bij kan dragen aan het behalen van klimaatdoelen. Dit blog gaat over dat laatste waarbij de nadruk op meestook ligt.

Introductie
Om een mening over meestook en over de gevolgen voor CO2-concentratie en biodiversiteit te vormen is het goed eerst een stap terug te nemen en na te denken over landgebruik en natuurlijke cycli. Laten we beginnen met natuurbranden.

Figuur 1. Oppervlakte dat jaarlijks verbrandt door bos- en graslandbranden, gemiddeld over 2001-2018. De rode kleuren geven de (bijna) jaarlijkse branden in savannegebieden aan, gele en blauwe kleuren zijn vaak in bosgebieden waar brand zorgt voor verjonging en regeneratie van het bos. Let op de logaritmische schaal. Bron: Van der Werf et al. (2017).

Ieder jaar verbrandt op mondiale schaal een oppervlakte gelijk aan de EU (ongeveer 450 miljoen hectare). Voor een groot deel is dit een natuurlijk proces. Hierbij gaat de in biomassa opgeslagen koolstof de lucht in als CO2 en zolang de vegetatie weer aangroeit na de brand wordt die koolstof ook weer opgenomen. Het is deel van een cyclus en beïnvloedt de CO2-concentratie dus niet structureel. De uitzondering daarop zijn de branden die gebruikt worden in het ontbossingproces, en de mogelijke toename van branden door o.a. klimaatverandering. Hierbij wordt de uitstoot maar voor een deel gecompenseerd door aangroei en hierdoor stijgt de CO2-concentratie in de atmosfeer.

Figuur 2. Oppervlakte van het land dat in gebruik was voor landbouw in 2001. Bron: Ramankutty et al. (2008).

Ieder jaar worden gewassen geoogst voor menselijke consumptie over een oppervlakte iets groter dan dat van het een-na-grootste land op aarde, Canada (ongeveer 1100 miljoen ha landbouw exclusief veeteelt, getallen deels afhankelijk van precieze definitie). Hiervan eet de wereldbevolking en een deel van de koolstof in de gewassen gaat dan ook via uitademing weer de lucht in en wordt in het volgende groeiseizoen weer opgenomen. Het is deel van een cyclus, net als de branden hierboven. Initieel zal er wellicht bos voor gekapt zijn dat niet meer terug is gekomen (ontbossing) en ook nu kan er nog bodemkoolstof verloren gaan.

Figuur 3. Percentage van het land dat in gebruik was voor veeteelt. Bron: Ramankutty et al. (2008).

Ieder jaar graast ons vee op een gebied ongeveer ter grootte van Noord- en Zuid-Amerika gecombineerd (ongeveer 4000 miljoen ha, ook dit getal is afhankelijk van definitie en dataset). Dit gebeurt veelal in gebieden die voorheen bos waren, ook nu nog kost expansie van de mondiale veestapel bos. Maar het overgrote deel van het oppervlak uit Figuur 3 is lang geleden ontbost of was eerder grasland; veeteelt op dat eerder ontboste deel heeft geen structurele invloed meer op de CO2-concentratie. Er zijn wel andere structurele emissies in de landbouw- en veeteeltsector. Naast de hierboven genoemde uitstoot uit bodems die van invloed is op de CO2-concentratie gaat het dan met name om methaanuitstoot door herkauwers en natte rijstbouw.

Figuur 4. Bruto afname van het percentage van het oppervlak dat bebost is over de 2001-2018 periode. Let op dat de kleurenschaal tot 50% loopt, niet tot 100% zoals in de vorige grafieken. Bron: Hansen et al. (2013) met jaarlijkse updates.

Ieder jaar gaat ongeveer 20 miljoen hectare bos verloren, een gebied vijf keer Nederland. Een deel daarvan is permanent, zoals aan de randen van de tropische bossen rond de evenaar. Dat noemen we ontbossing en heeft een scala aan oorzaken; houtkap voor hardhout, uitbreidingen van teelt van soja voor veevoer, weidegrond, en voor productie van pulp voor papier en palmolie, etc. Als je Figuur 1 en 4 met elkaar vergelijkt dan zie je ook dat er bruto bos verloren gaat door branden, met name in Canada en Siberië. Die bossen groeien normaal gesproken terug na de brand en dit zorgt voor een gezond ecosysteem. Het verlies van bos wordt in dit geval gecompenseerd door aangroei en netto is er geen afname.

Branden zie je relatief weinig in Scandinavië en de Baltische staten maar daar zie je wel bruto verlies van bos. Dit komt met name door bosbouw voor houtproducten variërend van hoogwaardige producten zoals kozijnen tot laagwaardige brandstof. Dit is net als de bosbranden deel van een cyclus zolang de bossen duurzaam beheerd worden. Dit is dus geen ontbossing. Het is inzichtelijk om zelf naar de data van Figuur 4 te kijken, dat kan met een mooie interface op deze site (aanrader!) Naast het jaar van ontbossing kan je ook naar de balans tussen verlies van bos zoals in Figuur 4 en naar hergroei kijken.

Houtige biomassa
Over houtige biomassa als (rest)product van bosbouw en voor gebruik als brandstof is de afgelopen tijd veel te doen. De verschillende bronnen van biomassa vertegenwoordigen ongeveer 60% van de Nederlandse duurzaam opgewekte energie. Die ratio zien we ook terug in omliggende landen. Meestook in kolencentrales is daar een vrij klein deel van maar zal de komende jaren wel toenemen.

Er is veel kritiek op het gebruik van houtige biomassa, met name houtpellets. In het kort de kritiekpunten:

  • Er gaat subsidie naar toe met mogelijke perverse prikkels tot gevolg, bijvoorbeeld een toename in oogstintensiteit.
  • Een beheerd bos heeft minder biodiversiteit dan een natuurlijk bos; zelfs dood hout op de grond vervult nuttige functies.
  • Het zorgt voor luchtvervuiling.
  • Op het moment van verbranden komt er meer CO2 in de atmosfeer dan door verbranding van kolen en gas. Dit is maar een half verhaal, daarover later meer.

Het is belangrijk deze punten te noemen. Maar het is net zo belangrijk die in context te plaatsen. Allereerst de subsidie. Vaak wordt het bedrag van 11,2 miljard genoemd voor meestook in kolencentrales, bijvoorbeeld door hoogleraar Moleculaire Genetica en voormalig minister Plasterk. Dat is echter het maximale bedrag voor alle vormen van biomassa, zie ook het blog van Jasper Vis. Subsidie voor meestook is met maximaal 3,6 miljard over een periode van 8 jaar nog steeds een groot bedrag.

Dat een natuurlijk bos meer natuurwaarde heeft dan een productiebos is duidelijk. Voor sommigen is bosbouw daarom een doorn in het oog. Hetzelfde geldt wellicht voor intensieve landbouw en veeteelt; we gebruiken land waar ook natuur had kunnen staan. Maar het is nu eenmaal een feit dat we een deel van de aarde gebruiken om voedsel en producten te maken, gelukkig maar zou ik zeggen. Er zit wel een interessante paradox; biodiversiteit en koolstofopslag in gebieden met bosbouw zijn hoger dan in de meeste landbouw- en veeteeltgebieden maar we hebben in het algemeen warmere gevoelens bij het zien van koeien die vredig in de wei staan te grazen dan bij een bos waar ieder jaar een stukje van geoogst wordt.

Biomassacentrales stoten ook meer fijnstof uit dan centrales die op kolen en gas draaien. Dat is met name het geval bij kleinere installaties, het verschil in uitstoot tussen een grote kolencentrale en een grote biomassacentrale is vrij klein. De klassieke vorm van biomassa verbranden – de open haard – is vanuit het perspectief van luchtvervuiling verreweg de slechtste optie, zeker ook omdat die vaak aan gaat als het koud is en er weinig menging is in de atmosfeer en vervuiling dus lang bij de grond blijft. De kleinere installaties die nu op veel plaatsen gebouwd worden zitten daar tussenin. Op het moment dat die niet strategisch geplaatst worden dan kan ik me goed voorstellen dat omwonenden daar bezwaar tegen maken.

Houtige biomassa en CO2
Als laatste, de hogere CO2-uitstoot. Hout heeft een relatief lage energiedichtheid. Met andere woorden, om 1 kWh elektriciteit te genereren levert hout meer CO2-uitstoot op dan kolen, en fors meer dan gas. Daarnaast kost het oogsten, transporteren en drogen van hout ook energie die meestal afkomstig is van fossiele brandstoffen met bijbehorende CO2-uitstoot, waar overigens wel strenge richtlijnen voor zijn. Uiteraard is dit soort bijkomende uitstoot voor winning en transport bij het gebruik van kolen en gas ook deels het geval. Maar in het algemeen ligt de indirecte uitstoot daar lager, hoewel met name de methaanuitstoot bij schaliegaswinning of transport via oudere gasleidingen (denk aan import uit Rusland) onzeker is maar fors kan zijn. Daarnaast is er bij biomassa een groter oppervlak nodig om een bepaalde hoeveelheid energie op te wekken dan bij zon en wind. Dit is gelijk ook de belangrijkste reden dat biomassa niet opgeschaald zal kunnen worden om onze hele energievoorziening te dekken; de hoeveelheid land die we hebben of hiervoor kunnen gebruiken is beperkt.

Figuur 5. Schematische weergave van het verschil in vastgelegde biomassa tussen een natuurlijk bos en bosbouw, in het laatste geval iedere 40 jaar oogst waarin alle biomassa uit het bosbouwgebied gehaald wordt.

Maar laten we even kijken naar de koolstofbalans in een bos. In Figuur 5 staat een typische grafiek van de hoeveelheid biomassa die een boom of stukje bos (plot) vast kan leggen. Bij een jong bos is dat vrij veel (de lijn loopt steil) en naarmate een bos ouder wordt zal dat minder worden. Niet omdat oude bomen geen CO2 meer vastleggen maar omdat de hoeveelheid verrotting ook langzaam toeneemt naarmate een bos ouder wordt en bomen omvallen. Bomen groeien niet tot in de hemel, er ontstaat langzaamaan een balans.

Bij bosbouw wordt de biomassa eens in de zoveel tijd uit het bos gehaald, in Figuur 5 iedere 40 jaar. Na 120 jaar en twee keer oogsten zit er minder koolstof opgeslagen in een bosbouwgebied dan in een natuurlijk bos. Zie het pijltje met ‘verschil in biomassa’ bijschrift. Uiteraard gaat dit puur over koolstof, een natuurlijk bos zal meer biodiversiteit herbergen.

Over die periode is er echter twee keer een nóg grotere hoeveelheid hout geoogst. Van dat geoogste hout kunnen producten gemaakt worden die lang meegaan en dus koolstof uit de atmosfeer houden. En het hout van mindere kwaliteit (dat dus nog steeds hele stammen kunnen zijn) zou in een centrale met Carbon Capture and Storage (CCS) verbrand kunnen worden, zogenaamde BECCS waar de BE voor bio-energy staat. Dat is een voorbeeld van het concept van negatieve emissies. Beide voorbeelden zorgen dus voor meer koolstofopslag dan een natuurlijk bos. Zeker als je beseft dat een natuurlijk bos eens in de zoveel tijd in brand zal staan en dus ook weer bij nul begint.

Een andere optie van het gebruik van hout, en terugkomend op het onderwerp van deze blog, is om alle biomassa te verstoken om energie en warmte op te wekken. In werkelijkheid zal er bijna altijd een combinatie van houtproducten en resthout uit het bos komen maar laten we even aannemen dat alle biomassa verstookt wordt. Dan is, net als in het geval van landbouw- en veeteelt, dit bos deel van een cyclus die netto geen CO2 toevoegt aan de atmosfeer. Dit is een vrij simpel concept maar het wordt vaak in twijfel getrokken, en dat zie je terug in hoe de media met dit onderwerp worstelen. Uiteraard is er wel uitstoot door het hele proces van oogst tot stook.

Figuur 6. Animatie van de leeftijd in een bos in een gebied waar iedere 40 jaar een deel van het bos geoogst wordt. De overgang van geel naar donkerblauw is het jaar van oogst.

Het is interessant om van Figuur 5 een ruimtelijk beeld te maken, dat is in Figuur 6 gedaan. De animatie laat zien hoe een landschap er uit ziet als er iedere 40 jaar houtoogst is in de verschillende vierkantjes (plot). Gemiddeld blijft het bos in het hele gebied van dezelfde leeftijd en houdt het dus ook ongeveer dezelfde hoeveelheid koolstof vast. Dit illustreert dat de leuzen ‘een boom verbranden gaat veel sneller dan een boom laten groeien’ weliswaar klopt voor een boom maar niet de dynamiek van een bos recht doet. Het bos is in balans en door alleen te kijken naar wat er op het moment van oogst of verbranden gebeurt mis je het grote plaatje. Het patroon dat ontstaat lijkt op wat de satellietdata laten zien in gebieden met bosbouw.

Media en politiek
De media heeft moeite met dit dossier. In het Parool lezen we de ene keer dat biomassa averechts werkt voor het klimaat en een paar maanden later dat het toch wat genuanceerder ligt. Idem voor het AD, de ene keer alleen de nadelen en de andere keer een gebalanceerd verhaal, met een van de experts op dit gebied, Martin Junginger. Voor degenen die tijd hebben is dit interview met hem door Remco de Boer absoluut aan te raden.

Biomassa heeft iets groens en er gaat subsidie naar toe, misschien niet geheel verrassend dat De Telegraaf vooral de nadelen benadrukt. Tegelijk is het mooi om te zien dat die krant ook zelf op onderzoek uitgaat en soms ook producenten van houtpellets aan het woord laat (11 juni 2020, gedrukte versie). In een van de uitgebreide artikelen over dit onderwerp komen ook wetenschappers uit Estland aan het woord, het land waar een fors deel van onze pellets vandaan komt. Daarin onder andere de zin: “In 2017 en 2018 verdween ruim 12 miljoen kubieke meter hout uit de Estlandse bossen. Voor duurzaam gebruik is volgens de wetenschappers 8,4 miljoen kuub het maximum.”

Dit is een opvallende zin die wegvalt in de algehele teneur van het artikel. Stel dat die wetenschappers gelijk hebben en stel dat er inderdaad 8,4 miljoen kuub gewonnen werd, zou dan de kritiek verstommen? Ik denk het niet want aan biomassa zitten nadelen en de publieke opinie is intussen anti-biomassa. Ook politieke partijen die eerst voorstander waren van biomassa worstelen hiermee, D66 kamerlid Sienot gaf de voorkeur voor gas over biomassa, bij Groen-Links zou het goed zijn als Klaver nog even in overleg gaat met Van der Lee die duidelijk op de hoogte is van de valkuilen in dit debat.

Biomassa en wetenschap
Misschien wel de belangrijkste reden dat het anti-biomassa sentiment zo groot is geworden is de suggestie dat een van de weinige voordelen van biomassa meestook, namelijk dat het tot een lagere CO2-uitstoot dan kolen of gas leidt, niet zou kloppen. In Nederland komt die boodschap vooral van Emeritus hoogleraar evolutionaire ecologie Louise Vet en Emeritus hoogleraar voedingsleer Martijn Katan. Zij weten de media goed te vinden en ook binnen de KNAW zijn zij een duidelijke anti-biomassa stem. Vaak is zo’n KNAW stempel een garantie dat het hier om de wetenschappelijke consensus gaat, maar in dit geval -en de literatuur en IPCC-rapporten over dit onderwerp kennend- durf ik dat te betwijfelen.

Ik durf zelfs de stelling wel aan dat zij ook geen consensus met zichzelf hebben. Een vaak aangehaald artikel waar Vet co-auteur van is, is een ‘Policy Commentary’ van de EASAC, de Europese overkoepelende organisatie van academies van wetenschappen. Dat artikel lijkt een beetje op het hierboven aangehaalde Telegraaf stuk in de zin van dat het overwegend negatief over biomassa schrijft maar tussen de regels door is er toch nuance. Zo staat er ook o.a.:

“The concept of carbon neutrality is both uncertain and highly time and context dependent.”

Dit is een belangrijke zin die aangeeft dat CO2-neutraliteit geen gegeven is maar voorwaarden behoeft. Die nuance komt helaas niet terug in uitspraken in de media, bijvoorbeeld:

“Biomassa is een heel slechte energiebron. Verbranding van hout levert weinig energie op, waardoor er netto meer CO2 uit de schoorsteen komt dan bij kolen en gas [ ]” zegt hoogleraar Louise Vet van de Wageningen Universiteit, die namens de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen in de milieugroep van EASAC zitting heeft.

Ik vind het zorgelijk als wetenschappers belangrijke nuances niet noemen. Een simpel voorbeeld van het gevolg daarvan is de interpretatie van het net verschenen rapport van de commissie Remkes over de stikstofproblematiek. Henri Bontenbal, werkzaam in de energiesector en iemand die nog rapporten doorleest voor hij een mening geeft, kwam daar het volgende tegen:

https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2020/06/biomassa_werf_tweet_bontenbal.png?w=500

Het gaat om de zin “… gecertificeerde biomassa wordt ten onrechte als CO2-neutraal meegeteld.” met een verwijzing naar het EASAC-artikel. Dat doet geen recht aan de nuances in dat artikel en al helemaal niet aan de bredere literatuur. Hoewel dit maar een bijzinnetje is in het rapport dat over stikstof gaat is het voor mij toch moeilijk het rapport nog als neutraal te zien, iets dat enorm belangrijk is in een debat met veel belangen en gevoelens en voor het vertrouwen van de maatschappij in de wetenschap.

Samenvatting
In het voorwoord van het recente PBL-rapport over biomassa schreef PBL-directeur Hans Mommaas dat het onderwerp één van de indringende duurzaamheidsdilemma’s van dit moment behelst; “Wat heeft prioriteit: de instandhouding/stimulering van de mondiale biodiversiteit of de mondiale terugdringing van broeikasgassen?”.

Dat dilemma lijkt echter ondergesneeuwd te raken in de discussie over biomassa doordat het voordeel van biomassa vergeleken met fossiele brandstoffen (lagere netto CO2-uitstoot) in twijfel getrokken wordt. En zoals Paul Rosenmöller zo mooi zei naar aanleiding van de discussie over het sluiten van scholen afgelopen maart: “Als wetenschappers elkaar tegenspreken, verliezen bestuurders hun kompas”.

Met dit stuk heb ik proberen duidelijk te maken dat er veel haken en ogen aan biomassa meestook zitten, maar dat het ook mogelijkheden biedt die we moeten koesteren. Wie in de energietransitie alleen perfecte oplossingen wil accepteren houdt uiteindelijk geen enkele optie over. Over hoe CO2-neutraal biomassa nu werkelijk is kan je goed discussiëren, dat het bij naleving van duurzaamheidscriteria netto minder CO2 uitstoot dan kolen en waarschijnlijk gas is vrij zeker.

Terugkomend op het begin van dit stuk zijn er twee bijzondere observaties wat mij betreft. Aan de ene kant is er een sterke en doeltreffende anti-biomassa lobby vanuit een kleine groep wetenschappers geweest, waarvan sommigen ook sterk tegen kernenergie gekant zijn. Zonder beide opties is het een flinke klus om onze CO2-uitstoot naar beneden te krijgen zonder de betrouwbaarheid van ons energiesysteem te veel op de proef te stellen. Aan de andere kant zien we een sterke anti-biomassa lobby bij een aantal kranten maar waarschijnlijk het sterkst bij De Telegraaf waarbij de nadruk ligt op ecologische schade. Die verontwaardiging vind ik moeilijk te rijmen met de berichtgeving op andere ecologische onderwerpen zoals het stikstofdebat.

Epiloog
Persoonlijk ben ik voor- noch tegenstander van biomassa. Ik ben vooral voor een efficiënte energietransitie gebaseerd op feiten en een eerlijke evaluatie van onzekerheden en onbekende factoren daarin. Keuzes zullen door de politiek gemaakt moeten worden. Wind en zon worden goedkoper en de capaciteitsfactor daarvan stijgt, vooral met verdergaande uitbreiding wind op zee. Daarnaast kampen deze bronnen na installatie niet met terugkerende uitstoot voor o.a. oogsten en drogen zoals bij biobrandstoffen het geval kan zijn.

Voor zover dat niet al nu het geval is zullen deze factoren meestook van biomassa op termijn uit de markt drukken, zeker als de subsidie vervalt. Andere vormen van biomassa kunnen nodig blijven aangezien biomassa opgeslagen kan worden en daarmee hiaten in zon en wind kan opvangen, omdat het negatieve emissies mogelijk maakt, omdat het een grondstof is en omdat geavanceerde biobrandstoffen voorlopig nodig kunnen zijn voor lucht- en zeevaart.

De harde lobby tegen biomassa kan op twee manieren slecht uitpakken. Allereerst als biomassa als base-load sneller afgebouwd wordt dan zon, wind, en kernenergie sneller opgeschaald kunnen worden dan al gepland. Dat zou tot hogere CO2-concentraties leiden. Ten tweede als biomassa zo’n slechte naam krijgt dat er door de maatschappij niet meer constructief mee omgegaan kan worden, een situatie die wellicht op die van kernenergie lijkt.

Guido van der Werf is universiteitshoogleraar aan de Vrije Universiteit, zijn onderzoek richt zich op de wisselwerking tussen het klimaatsysteem en de mondiale koolstofcyclus.

https://klimaatveranda.nl/2020/06/12/co2-balans-bij-gebruik-van-biomassa-als-energiebron/