Bangladesh leert Nederland omgaan met klimaatrampen (OneWorld)

https://www.oneworld.nl/app/uploads/2020/11/erosie-4-875x587.jpeg

Door de aanleg van een dijk is het land van Asob Banu beschermd tegen het wassende water.

Stormen, een stijgende zeespiegel en erosie van rivieroevers jagen de bevolking van Bangladesh op de vlucht. Hoelang kunnen zij nog met klimaatverandering meebuigen? ‘Met al die rampen hier kun je maar beter iets achter de hand hebben.’

De grijzende Jabar Hossain zit met zijn rug naar de rivier, zijn blik strak gericht op de gele stoppels van het geoogste rijstveld. Op de grond liggen rijstkorrels op een stuk plastic te drogen in de zon. Een van zijn geitjes snoept ervan. Hossain (50) laat het gebeuren. Het is zijn laatste oogst hier in Caring Char, een gebied aan de zuidkust van Bangladesh.

Nog een paar weken, hooguit twee maanden, dan verdwijnt zijn rijstveld onder water. De Meghnarivier heeft al zijn halve erf opgeslokt en uit voorzorg heeft hij zijn huis al afgebroken. Het bouwpakket van golfplaten, houten balken en palen ligt kilometers landinwaarts opgeslagen naast de binnendijk. Bedden, kasten en ander huisraad zijn tijdelijk gestald in een gehuurde kamer. Zijn jongste kinderen zitten op een islamitische kostschool in de buurt, de oudsten zijn getrouwd en wonen bij hun schoonfamilie.

Door erosie langs de grote rivieren raken jaarlijks zeker 50 duizend Bengalen ontheemd

“Mijn vrouw en ik blijven hier zolang het kan”, zegt Hossain, wijzend naar een strohut die zij nu delen met hun drie koeien en vijf geiten. Het is het enige onderkomen in de wijde omgeving. Alle buren zijn inmiddels vertrokken. “Wij moeten onze bomen nog kappen en de groenten oogsten. We hebben het geld hard nodig om nieuw land te kopen. Net zoals tien jaar geleden, toen we hier kwamen.”

Door de erosie langs de grote rivieren raken jaarlijks zeker 50 duizend Bengalen ontheemd. Maar er komen ook duizenden hectaren nieuw land bij. De rivier schuurt de oevers uit en verplaatst regelmatig haar stroomgebied. Van dat sediment ontstaan in de rivierbedding zandplaten, die geleidelijk uitgroeien tot eilanden (chars).

https://www.oneworld.nl/app/uploads/2020/11/erosie-1-875x587.jpeg

Het land van Jabar Hossain en zijn vrouw wordt langzaam opgeslokt door de rivier.

De bewoners van het gebied leven al eeuwen met de overstromingen, bodemverzilting en erosie door klimaatverandering waarmee andere landen in de toekomst ook geconfronteerd zullen worden. En dus letten ingenieurs wereldwijd goed op hoe de Bengalen zich beschermen tegen het wassende water. Karin Sluis, CEO van ingenieursbureau Witteveen en Bos, vertelde hierover onlangs op BNR Nieuwsradio.

Sluis: ‘Je zou verwachten dat ingenieurs uit Nederland naar Bangladesh komen om eens even uit te leggen hoe het moet, maar er is juist sprake van grote wederkerigheid. Wij hebben daar geleerd hoe je op een veel grotere schaal die natuurlijke processen kunt gebruiken en wij passen dat in de praktijk nu, mede dankzij Bangladesh, in Nederland toe.’

Nieuw land

Al sinds de jaren 60 voert de Bengaalse overheid een beleid van inpolderen en bedijken van land. Voor het dichtbevolkte, arme en voornamelijk op landbouw gerichte Bangladesh is land een schaars en kostbaar goed. Daarom heeft de overheid in 1994 het Char Development & Settlement Project (CDSP) opgezet, een samenwerkingsverband van zes departementen om nieuwe nederzettingen te ontwikkelen. Nederland was een van de financiers.

Het natuurlijke proces van landwinning duurt zo’n 20 tot 30 jaar, zo lang kunnen erosieslachtoffers niet wachten

“Een stuk land biedt arme mensen houvast, een basis om geld te verdienen”, zegt ingenieur Zulfiquer Azeez van CDSP in havenstad Noakhali. De resultaten van het project vormen het bewijs; de armoede is fors gedaald in het projectgebied dat nu een half miljoenmensen telt. De bewoners hebben betere huizen, meer bezittingen, meerdere inkomstenbronnen en hun kinderen gaan naar school. “Maar nieuw land goed bewoonbaar maken, vereist investeringen in oeverbescherming en infrastructuur. Dat kost tijd en geld.”

Het natuurlijke proces van landwinning, waarbij zandplaten in de rivierbedding ontstaan die uiteindelijk uitgroeien tot eilanden, duurt zo’n twintig tot dertig jaar. Dan komt de overheid in actie en poldert het eiland in met dijken. Zo lang kunnen Jabar Hossain en andere erosieslachtoffers niet wachten.

Dat weten lokale bendes, de ‘muscle men’. Zodra de mangroven en andere bomen, die het departement van bosbouw heeft aangeplant, stevig geworteld zijn, claimen gespierde bandieten het nieuweland als graasland. Zij zijn jarenlang heer en meester van het gebied, innen pacht voor vee en rijstbouw, en verkopen het land later in kleine percelen aan door erosie ontheemde boeren.

Twee keer per dag, bij vloed, stroomde het huis vol met water

Toen Hossain met zijn gezin tien jaar geleden in Caring Char neerstreek, ruilde hij twee koeien voor een kwart hectare grond. Aanvankelijk kon hij er alleen zoutbestendige rijst op verbouwen. Beginnende polders zijn nog niet zo droog en er zit nog veel zilt water in de grond, waar niet veel op wil groeien. Het kolonistenbestaan was hard voor Hossain, maar hij had nog geluk: binnen drie jaar werd Caring Char ingepolderd door CDSP.

De struise Asob Banu (55) die in 2001 met man en tienerzonen in Nangulia Char (het eiland dat grenst aan Caring Char) neerstreek, was ruim tien jaar overgeleverd aan de bendes, de verzilte grond en de getijden. “Er was hier helemaal niks: geen wegen, geen stroom, geen telefoon, geen overheid. En twee keer per dag bij vloed stroomde het huis vol met water. Tot aan mijn knieën.” Banu stond er alleen voor. Man en zonen waren maanden van huis om elders als dagloner geld te verdienen.

“Dat is verleden tijd.” De komst van de dijk en de overheid heeft de boeren uit hun isolement gehaald en de ‘muscle men’ onttroond. Banu is nu eigenbaas. “Wij zijn nu officieel landeigenaar, we kunnen leven van de opbrengst en investeren in een tractor en een waterpomp, in ons huis en in de school voor de kleinkinderen. Het leven is goed. Dat willen we niet kwijtraken.”

Natte voeten

Het nieuwe land van Nangulia Char oogt lieflijk, alsof het er altijd is geweest. De dijkwegen zijn omzoomd met hoge pijnbomen, huizen omringd met fruitbomen. In het polderland is het een en al bedrijvigheid; er wordt geoogst, geploegd en nieuwe rijst aangeplant. Elk stukje grond wordt benut. Rond visvijvers en sloten groeien courgettes en pompoenen langs palen omhoog, in de bermen bloeien bonenplanten, en op elk erf scharrelen duiven, kippen, eenden, ganzen.

Alleen de cycloonschuilplaatsen die boven het landschap uitsteken, herinneren de bewoners voortdurend aan de gevaren van de oprukkende erosie. Het bezorgt de kolonisten slapeloze nachten. Ze weten maar al te goed hoe machtig en meedogenloos de Meghnarivier kan zijn. Zij eisen extra onderhoud, betere oeverbescherming, hogere dijken, meer drainagekanalen.

https://www.oneworld.nl/app/uploads/2020/11/erosie-2-1-875x587.jpeg

De loop van de rivier verandert door erosie en dwingt boeren te verhuizen.

Maar dat lijkt niet altijd mogelijk, ook niet bij Caring Char. Het project daar is na zeven jaar alweer aan het instorten: de dijk is verzakten verzwolgen door het water – waardoor weten ingenieurs nog niet. “Groot herstelwerk is op dit moment niet mogelijk”, verklaart ingenieur Zulfiquer van CDSP. “Dat is te riskant, de stroming is te sterk.” Met een sjaal om zijn hoofd tegen de ochtendkou, staat de ingenieur aan de oever van de Meghnarivier op de meest westelijk punt van Caring Char.

De erosieschade loopt in de miljoenen. Over een jaar zal het hele gebied verdwenen zijn

De rivier lijkt wel een zee; de overkant is niet te zien, het wassende getij klotst tegen de aarden wal. Zulfiquer kijkt over de afgebrokkelde rand van de weg naar het water. Een paar honderd meter verderop steekt nog net een stuk van de sluis uit de rivier. Het is de tweede sluis die is weggespoeld. De ingenieur was bij de bouw betrokken, net als bij de aanleg van de vijf kilometer lange weg dwars over Caring Char waar nu nog één kilometer van over is. De erosieschade loopt in de miljoenen.

Zulfiquer: “Over een jaar is Caring Char verdwenen, het aangrenzende Noler Char mogelijk binnen tien jaar als de erosie zo doorgaat. We moeten eerst weten wat er speelt, waar die eroderende stroming vandaan komt.” Voorlopig komen er in elk gevalgeen nieuwe dijken of dammen. De oude dijk verder landinwaarts wordt de nieuwe verdedigingslinie.

Een derde minder land

“In de toekomst wordt het alleen maar erger”, voorspelt water- en klimaatexpert Ainun Nishat van het Centre for Climate Change and Environmental Research (C3ER) in Dhaka. Hij onderzoekt al jaren de effecten van klimaatverandering in Bangladesh. Tussen 1990 en2018 werd het land getroffen door 154 overstromingen, stormen en andere klimaatgerelateerde rampen, die tientallen miljoenen Bengalen troffen en miljarden euro schade aanrichtten. “Klimaatverandering is een feit, de aarde warmt op, de zeespiegel stijgt, het weer wordt onvoorspelbaar en steeds extremer.”

Bengalen hebben net als Nederlanders een hekel aan natte voeten

Bangladesh is uitermate kwetsbaar; de helft van het land ligt minder dan 12,5 meter boven zeeniveau, dat blijft stijgen. Het Intergouvernementele Panel for Climate Change (IPCC), een VN-orgaan dat de wetenschappelijke basis van klimaatverandering beoordeelt, voorziet dat Bangladesh zonder tegenmaatregelen in2100 een derde van de landoppervlakte voorgoed kwijt is. “Erosie is geen klimaatverandering, het is een natuurlijk proces, maar het wordt wel degelijk beïnvloed door veranderingen in het klimaat.”

Door een hogere zeespiegel en smeltende gletsjers stroomt er meer water door de rivieren. Zwaardere stormen zorgen ervoor dat die grotere hoeveelheid harder gaat stromen, met als gevolg erosie. Nishat heeft er alle begrip voor dat de bedreigde eilandbewoner dijkbescherming eisen. “Bengalen hebben net als Nederlanders een hekel aan natte voeten. Daarom zijn wij, net als jullie, gebieden gaan inpolderen en omdijken.”

https://www.oneworld.nl/app/uploads/2020/11/erosie-3-875x587.jpeg

Kustbewoners breken hun huis af en slaan het landinwaarts op.

De eerste polders in Bangladesh dateren uit de jaren 60. Inmiddels staat de teller op 139 polders. In de kustgebieden zijn de leefomstandigheden van miljoenen Bengalen erdoor verbeterd en is de economische groei bevorderd, constateren onderzoekers in de vuistdikke rapporten van het Bangladesh Deltaplan 2100. Maar de polderontwikkeling creëert ook nieuwe problemen, omdat het de natuurlijke processen verstoort, waardoor afvoerkanalen dichtslibben en het water in de polders stagneert en de eilanden verzilten. Het polderconcept overboord zetten gaat de onderzoekers te ver, maar gezien de klimaatverandering is het evident dat het concept vernieuwd en aangepast moet worden. De sleutelvraag is hoe?

Zelf betalen

De natuur kan de mens een handje helpen, signaleert het Deltaplan. In een van de polders in Satkhira, in het zuidwestelijke kustgebied van Bangladesh, mag de rivier alweer een paar jaar haar gang gaan en de polder van een nieuwe vruchtbare sliblaag voorzien – en tegelijkertijd de afvoerkanalen schoonspoelen. Het klinkt goed, maar de aanpak stuit op praktische bezwaren. De boeren, die jarenlang hun land moeten afstaan, weten niet of en hoe ze gecompenseerd gaan worden, zeker als ze moeten migreren om elders werk te vinden.

Noakhali geeft CDSP het nieuwe land wat meer ruimte dooreen kleiner gebied in te polderen, zodat de natuur haar werk kan doen. Klimaatexpert Nishat betwijfelt of die aanpak werkt. “Vroeger was dat misschien mogelijk, maar nu is daarvoor in Bangladesh geenruimte meer. Er wonen al te veel mensen. Die willen geen voedselhulp, die eisen beter dijkonderhoud om zelf rijst te verbouwen.”

https://www.oneworld.nl/app/uploads/2020/11/erosie-hoofdbeeld-875x587.jpeg

Erosie van de Meghnarivier, bij de Bengalese stad Noahkali.

Bengaalse kustbewoners zijn vooral op zichzelf aangewezen. De mensen op het platteland, die direct slachtoffer zijn van klimaatgerelateerde rampen, investeren zelf het meeste geld in de rampenbestrijding, blijkt uit recent onderzoek van het International Institute for Environment and Development (IIED). De plattelandsbewoners geven bijna 2 miljard dollar per jaar uit aan preventieve maatregelen, zoals het ophogen, versterken of herstellen van huizen en oevers. Dat is twee keer zoveel als het Bengaalse overheidsbudget, en ruim twaalf keer het bedrag dat internationale organisaties aan hulpgelden geven voor het Bengaalse platteland. Lokale initiatieven kunnen maar mondjesmaat aanspraak maken op overheidsfinanciering.

Met al die rampen hier, kun je maar beter iets achter de hand hebben

“Experimenteren en uitproberen. Je aanpassen aan het klimaat leer je in de praktijk”, is het devies van de Bengaalse klimaatdeskundige Saleemul Huq. Hij is als wetenschapper lid van het IPCC. “Het hele kustgebied beschermen is op den duur een onmogelijke opgave”, zegt hij. “Men zal keuzes moeten maken en misschien hele gebieden moeten opgeven.” En dan gaat de voorkeur uit naar de grote steden in plaats van dorpen met landbouwgrond. Voorlopig pleit Huq voor tijdelijke bescherming. “Elk jaar dat de mensen langer kunnen profiteren van hun grond is meegenomen. Zo kunnen ze een buffer opbouwen en zich voorbereiden op de toekomst.”

Kolonisten weten wat hun te doen staat. Zij bereiden zich mentaal en financieel voor op een nieuwe toekomst elders. De een opent een winkel, een ander gaat kalkoenen vetmesten of koopt een brommer of landbouwmachines. Asob, die haar boerderij niet kwijt wil, legt alvast geld opzij om landinwaarts grond te kopen. “Met al die rampen hier, kun je maar beter iets achter de hand hebben.”

Dit artikel verscheen eerder in OneWorld Magazine.

Zijn ook verwoestende bosbranden het nieuwe normaal?

Dit zijn de zorgwekkende gevolgen van smeltende permafrost

Hilde Janssen

Het bericht Bangladesh leert Nederland omgaan met klimaatrampen verscheen eerst op OneWorld.

https://www.oneworld.nl/lezen/klimaat/bangladesh-leert-nederland-omgaan-met-klimaatrampen/

Nee, een duurzame wereld begint niet bij jezelf. Een pleidooi tegen consumentenactivisme (Vrij Nederland)

‘Als we onze planeet willen redden, zullen we minder vlees moeten eten,’ betoogt Jonathan Safran Foer in zijn nieuwste boek Het klimaat zijn wij. De wereld redden begint bij het ontbijt. De Amerikaanse bestsellerauteur tourt momenteel door Europa met zijn voornaamste boodschap: als we niet op een ecologische ramp willen afstevenen, moeten we allemaal drastisch minderen met onze niet-duurzame, schadelijke eetgewoonten.

Gelet op het aandeel in ontbossing en CO2-uitstoot, richt hij zijn pijlen vooral op de consumptie van dierlijke producten en propageert hij een veganistisch dieet – in elk geval voor twee maaltijden per dag. ‘Je zou, op het moment dat je de menukaart voor je hebt, hetzelfde gevoel moeten hebben als wanneer je naar de brandende Amazone kijkt,’ zegt hij erover in een interview met NRC Handelsblad. Die toast met bacon en ei heeft opeens de nasmaak van verschroeid regenwoud, en dat is precies de bedoeling.

Wat Safran Foer roept, is niet nieuw; hij is de zoveelste beroemde volgeling van het rap groeiende genootschap der consumentenactivisten, of portemonneestrijders. De kern van hun boodschap: met de manier waarop jij als individu je geld uitgeeft, bepaal je of je de gezondheid van ons ecosysteem wil schaden of verbeteren. Elke aanschaf wordt daarmee een morele dan wel immorele keuze. Uit dit consumentenactivisme is een krachtige nieuwe schaamtecultus ontstaan, die allerlei mogelijke uitlopers kent.

Vliegschaamte, autoschaamte, vleesschaamte, stookschaamte of fast fashion-schaamte: je kunt het zo gek niet verzinnen of er wordt ergens, door iemand, met misprijzen vastgesteld dat jouw koopgedrag de wereld naar de knoppen helpt. De onbewuste consument laat ecologische voetafdrukken achter als een olifant, en het is zaak van hem of haar zo snel mogelijke een verlichte, tevens vederlichte, consumindermuis te maken.

Deze filosofie is de laatste jaren gemeengoed geworden en kent veel aanhangers. Politici, CEO’s, jonge influencers en grote beroemdheden laten zich voorstaan op hun ethische lifestyle in een steeds wanhopiger strijd tegen klimaatverandering. Een strijd, overigens, die ik volledig onderschrijf. Sterker nog: ik schaar mij aan de zijde van de zogenaamde ‘alarmisten’, zoals deze groep wetenschappers soms smalend wordt genoemd, alsof ze hun hysterie niet goed weten te beteugelen. Het zijn de experts die waarschuwen dat we zonder ingrijpende economische en politieke veranderingen een cruciaal kantelpunt naderen waarop ecosystemen zullen instorten en niet meer tot regeneratie in staat zijn.

Juist daarom is mijn geduld met types als Jonathan ‘duurzaamheid is een keuze’ Safran Foer op. Consumentenactivisme is een zijweg die niet alleen (te) weinig bijdraagt, maar een snelle, zinvolle aanpak van klimaatverandering zelfs in de weg staat.

Simplistische oorlogsretoriek

De meest gehoorde reactie op mijn standpunt: waarom zou je een tégenstander van consumentenactivisme zijn? Baat het niet, het schaadt ook niet. Bovendien kan het toch allebei: én propageren dat mensen hun koopgedrag moeten aanpassen, én vinden dat overheden en industrie actie moeten ondernemen? Dat klinkt inderdaad redelijk. Ik heb dan ook geen bezwaar tegen portemonneestrijders achter de voordeur – integendeel. Iedereen die de tijd en het geld heeft zich in zijn dagelijkse leven over dit soort keuzes te buigen, moet dat vooral doen. Rolmodellen zijn belangrijk en kunnen anderen inspireren tot duurzamer keuzes.

Het wordt anders wanneer die individuele levensstijl wordt verheven tot een activistische publieke strategie, die bovendien wordt gepresenteerd als een serieuze (deel)oplossing van het klimaatvraagstuk.

Ten eerste is dat niet zo, waarover later meer, en ten tweede maak je zo van ieder individu dat, bewust of onbewust, de ‘verkeerde’ keuzes maakt, de vijand. Een immoreel wezen, verantwoordelijk voor het feit dat de wereld vergaat.

Dat is precies wat consumentenactivisten doen. Als een peloton groene George Bush-soldaten bezigen ze simplistische oorlogsretoriek, die ‘de ander’ automatisch in het foute kamp plaatst: You’re with us or you’re against us. Een constante stroom doempraat komt zo dagelijks voorbij in interviews, artikelen of op de sociale media van populaire jongens en meisjes die lachend reclame maken voor ‘duurzame’ producten van de meest vervuilende multinationals.

Nu ben ik niet van het teerhartige slag dat klaagt over ‘de verkeerde toon’, zoals actievoerders vaak wordt verweten. Het gaat erom dat de oorlogstaal tegen de verkeerden is gericht.

Een greep uit de gebezigde kreten: ‘Hoor jij bij de groep die de mensheid van de ondergang wil behoeden, of heb je bloed aan je handen?’ ‘Iedereen die nu nog vlees eet / vliegt / goedkope kleding koopt (vul in naar keuze, de lijst is eindeloos), is schuldig aan de bosbranden in Brazilië / de uitstoot van de fossiele industrie / de watervervuiling door pesticidengebruik in de katoenteelt.’ ‘In welk leger wil jij zitten? Het leger dat vecht voor het goede, of voor het kwade?’ ‘Ben jij voor of tegen een leefbare wereld voor je kinderen?’ ‘Mensen die nu nog winkelen bij Primark, moeten zich kapot schamen.’ ‘Wie aan de zijlijn blijft staan, is even schuldig als de vervuilers.’

Utopie

Nu ben ik niet van het teerhartige slag dat klaagt over ‘de verkeerde toon’, zoals actievoerders vaak wordt verweten. De geschiedenis wijst uit dat je júíst nietsontziende trammelantschoppers nodig hebt om verandering te bewerkstelligen. Het gaat erom dat de oorlogstaal tegen de verkeerden is gericht. Dat is ook meteen het verschil tussen consumentenactivisten en de ouderwetse grassroots-bewegingen, waarmee ze zichzelf nog wel eens willen vergelijken.

Die streden voor collectieve actie vanuit burgers ten behoeve van politieke of economische verandering. Kenmerkend voor de grassroots-bewegingen was dat ze inclusief waren en hun pijlen richtten op de machtsblokken boven hen. Consumentenactivisme laat die machtsblokken juist vrijuit gaan en zet mensen ertoe aan de pijlen onderling op elkaar te richten, ten koste van de meest kwetsbare burgers. En dat ook nog op grond van een gemankeerd uitgangspunt.

Het is wel de intentie van consumentenactivisten om het bedrijfsleven te raken – maar dan met een omweg. Het idee is om zoveel mogelijk mensen ervan te overtuigen hun geld anders te besteden, vanuit de kerngedachte dat de vraag het aanbod bepaalt. ‘Er bestaat geen krachtiger middel dan het onttrekken van geld aan deze destructieve industrieën,’ verwoordt Safran Foer dit veel gedeelde standpunt; ‘Corporations sell what people buy.’

Precies in dat vertrekpunt zit een cruciale denkfout. In de klaslokaaltheorie van een competitieve markt klinkt deze slogan best aardig, maar in de praktijk is het een utopie om te denken dat een individuele consument het aanbod bepaalt. De gehele bestaande infrastructuur van vooral westerse samenlevingen leunt op de meest vervuilende industrieën, die vervlochten zijn met elk aspect van ons dagelijks bestaan.

Het gijzelen van de publieke zaak

Neem de fossiele industrie. Als we de grens van twee graden opwarming niet willen overschrijden, moet de CO2-uitstoot op korte termijn drastisch worden verlaagd, onder meer door een strikt koolstofdieet. Dat houdt in dat, bijvoorbeeld, oliebedrijven nog maar een fractie van hun voorraden zouden mogen aanboren – en daarmee een fractie van hun geplande winst. Maar het afzweren van onze fossiele afhankelijkheid heeft veel bredere implicaties, vanwege de verwevenheid van die sector met de rest van de samenleving.

Alleen al Europese financiële instellingen hebben een bedrag van een biljoen (duizend miljard) euro uitstaan bij de fossiele industrie; investeringen die rechtstreeks zijn verbonden aan ons spaargeld, pensioen en overheidsbudget.

Die ontvlechting is al complex, maar wordt nog eens extra bemoeilijkt door tegenkrachten voor en achter de schermen. De betreffende bedrijven doen er alles aan om hun winsthorizon niet te laten beperken, met een lobby waarin miljoenen omgaan. Sinds de verkiezing van de Amerikaanse president Donald Trump in 2017 geeft de fossiele industrie recordbedragen aan groeperingen die zijn dereguleringsprogramma steunen, en zijn diverse mensen uit de fossiele industrie op cruciale bestuurlijke posities in de VS beland – met resultaat. Zoals de directeur van een milieudenktank in Washington het verwoordde: ‘De fossiele industrie heeft welhaast alles op haar wensenlijst voor elkaar gekregen onder Trumps bewind.’

De mantra ‘betrek de industrie bij verandering’ is zo normaal geworden, dat weinigen inzien dat die aanpak in sommige situaties neerkomt op het gijzelen van de publieke zaak.

Maar laten we niet weer alleen maar naar de VS wijzen. Recent dataonderzoek geïnstigeerd door The Guardian wijst uit dat de vijftig grootste oliebedrijven de komende tien jaar zeven miljoen olievaten per dag éxtra willen oppompen, waarbij onze nationale trots Shell koploper is. Shell is voornemens haar productie met ruim 35 procent te verhogen om de reserves maar uit de grond te krijgen in het belang van winstmaximalisatie voor de aandeelhouders.

In plaats van een redelijke afbouw, in lijn met de noodoproep van wetenschappers, worden juist extra investeringen gedaan die klimaatdoelen ondermijnen, zoals de bouw van nieuwe boorlocaties. Shell-baas Ben van Beurden zegt daarover: ‘Filosofisch gezien geloof ik […] dat het niet aan energiebedrijven is om energieverbruik te beperken.’ Daarmee raakt hij een cruciale wetmatigheid: een bedrijf heeft een wezenlijk ander doel dan de overheid.

Dat uitgangspunt lijkt, na jaren van overheveling van publieke taken naar de private sector, te zijn verwaterd, en consumentenactivisme is daar een symptoom van. De mantra ‘betrek de industrie bij verandering’ is zo normaal geworden, dat weinigen inzien dat die aanpak in sommige situaties neerkomt op het gijzelen van de publieke zaak.

De kracht van marketing

Er zijn meer redenen waarom het ‘vraag-bepaalt-aanbod’-vertrekpunt een illusie is. Neem de kracht van marketing en advertenties. Het is geen toeval dat hele bevolkingsgroepen op Nike-schoenen lopen, blonde vrouwen in Mini Coopers rijden en start-upjongens op een urban bike door de stad crossen met een Fjällräven-rugzak om. Alles in de wereld van het consumentisme draait om image, brand distribution en brand loyalty. De invloedrijke marketing en distributie van grote (vaak zeer vervuilende en/of ongezonde) spelers bepaalt wat het aanbod is, van dorpen in de verste uithoeken van de aarde tot de high street-winkelketens.

Het hele systeem is gebaseerd op het vergroten van consumentisme, het zoeken naar nieuwe manieren om mensen dingen te laten kopen waarvan ze niet eens wisten dat ze ze nodig hadden.

Coca-Cola is daar een goed voorbeeld van. Het merk, goed voor 1,9 miljard verkochte units per dag en de productie van 200.000 plastic flessen per minuut, is, vaak letterlijk, onderdeel van het meubilair overal waar kinderen komen. Het merk is onlosmakelijk verbonden met ons (westerse) bestaan. Het verlies van marktaandeel aan gezondere alternatieven is door het frisdrankbedrijf snel gesignaleerd en slim gecompenseerd: Coca-Cola en andere voedingsreuzen zijn nu eigenaar van ’s werelds best verkochte, in plastic voorverpakte watermerken.

Het hele systeem is gebaseerd op het vergroten van consumentisme, het zoeken naar nieuwe manieren om mensen dingen te laten kopen waarvan ze niet eens wisten dat ze ze nodig hadden, en doelbewust niet-duurzame producten op de markt brengen.

Ik heb het jarenlang zelf ondervonden toen ik nog als jurist in het bedrijfsleven werkte: bedrijven zijn erbij gebaat dat dingen een korte levensloop hebben zodat je snel nieuwe aanschaft, of een publiek goed als water te privatiseren en er een even winstgevend als vervuilend product van te maken – een product dat een generatie geleden niet eens bestond.

Lees ook Van klimaatdrammen naar Shell vergroenen? Ongeloofwaardig 29 maart 2019
Inkapselen

Een ander onderdeel van marketing is het verweven van grote vervuilers met ‘legitieme’ partijen, iets dat greenwashing wordt genoemd. Het doel is mensen, het liefst critici, met bereik of autoriteit in te kapselen, waarmee je ze op zijn minst onschadelijk maakt en op zijn best voor je laat werken. Neem de ‘duurzame’ Instagram-starlets die doempreekjes houden over smeltende poolkappen onder een glamfoto waarop ze in een biokatoenen jurkje reclame maken voor een nieuw, ‘gezond’ drankje van een multinational.

Maar ook de allergrootsten zwichten. Toen Michelle Obama in 2010 als First Lady haar strijdplan tegen obesitas introduceerde, trok er even een huivering door de voedingsindustrie. Door slechte voeding was kinderobesitas in de Verenigde Staten in dertig jaar tijd ruim verdrievoudigd naar 17 procent, met angstaanjagende stijgingen van chronische ziekten en Diabetes-2 – onder de met name de armste bevolkingsgroepen.

Uit haar eerste speeches bleek duidelijk wie Obama daarvoor medeverantwoordelijk hield: de voedingsindustrie, met hun excessieve toevoegingen van zoetstoffen en vetten, hun misleidende advertenties gericht op kinderen, hun ijzeren greep op de voedselvoorziening in scholen, ziekenhuizen en sportclubs, en het propageren van het frame dat overgewicht te wijten is aan een gebrek aan individuele wilskracht. Haar stoere praat duurde niet lang.

De industrie was er als de kippen bij om ‘partnerships’ met Obama aan te gaan – Coca-Cola, Walmart, Walt Disney, Nestlé en anderen. Het is voor Big Food, zoals deze multinationals ook wel worden genoemd, van levensbelang dat ze zelfregulerend blijft, en alles werd uit de kast getrokken om daadwerkelijke beleidsverandering en regelgeving te voorkomen. Het lobbybudget werd verdubbeld, een toevoeging van ‘light’-opties aan bepaalde productlijnen werd toegezegd (oftewel: een uitbreiding van het assortiment, met bijbehorende inkomsten), en toen was het welletjes.

Als Michelle Obama haar pijlen op Big Food bleef richten, zouden de bedrijven alle medewerking intrekken. Michelle boog het hoofd, en tot het einde van het Obama-presidentschap zag je haar in het openbaar sporten met te zware kinderen, onder de slogan ‘onze jeugd moet meer bewegen’. Het kinderobesitaspercentage in de Verenigde Staten is momenteel 18,5 procent.

Als je goed kijkt, zie je die verraderlijke verwevenheid overal, en het zaait effectief verwarring. Een door Shell betaald interview met een wetenschapper in NRC Handelsblad over het belang van individuele keuzes in de strijd tegen klimaatverandering. Een door ABN AMRO betaald interview door de hoofdredacteur van zakenblad Quote met mensen van Coca-Cola en McDonald’s over duurzaamheid. Hoe serieus te nemen is een controlerende macht die dagelijks bericht over de urgentie van klimaatverandering, maar pal daarnaast de grootste veroorzakers ervan met onweersproken interviews een platform biedt?

Overheidsinvloed

Een ander aspect dat het vraag-aanbod-evenwicht verstoort, is overheidsbeïnvloeding in de vorm van subsidiestromen, belastingvoordelen of accijnsvrijstellingen. Subsidie stimuleert aanbod door producenten en heeft een rechtstreeks effect op de verkoopprijs en daarmee op het koopgedrag van consumenten. Zo lang, bijvoorbeeld, fossiele brandstoffen tweemaal zoveel voordelen ontvangen als hun duurzame alternatieven, is de keuze voor een grote groep mensen snel gemaakt.

Een heel scala aan kennis en keuzes blijft onzichtbaar, zonder dat de gebruiker het doorheeft.

Er worden miljoenen aan EU-geld in de promotie van de vleesindustrie gepompt, en de consument weet niet eens wat de ‘echte’ prijs van vlees is – die kan tot wel 40 procent hoger zijn zonder subsidies en met doorberekening van de maatschappelijke kosten. Deze concurrentievervalsing is de meeste mensen onbekend, en het lijkt me oneerlijk en nogal wereldvreemd de groep die voor deze producten blijft kiezen dan als immoreel of fout te bestempelen.

Redelijk nieuw is de invloed van algoritmen op consumentengedrag. Op basis van de verzamelde en verbonden data van miljarden mensen kunnen bedrijven met op maat gemaakte algoritmen koopgedrag beïnvloeden tot op individueel niveau. Omdat de grote techbedrijven weigeren de samenstelling van hun algoritmen te ontsluiten, is het voor de consument volkomen ondoorgrondelijk waarom hem of haar bepaalde zaken worden aangeboden of onthouden. Zoekresultaten, getoonde nieuwsberichten of gepresenteerde producten op alle mogelijke online kanalen worden op maat gemaakt om de kans op succes (een transactie) te optimaliseren.

Blijf vrij van geest. Lees onze nieuwsbrief.
Ontvang de beste verhalen van Vrij Nederland in je mail, twee keer per week.

Een heel scala aan kennis en keuzes blijft zo onzichtbaar, zonder dat de gebruiker het doorheeft. Zo zal iemand die in het verleden al keuzes gericht op duurzaamheid maakte een totaal ander online menu krijgen voorgeschoteld dan iemand die die keuzes wegens gebrek aan kennis, interesse of koopkracht jarenlang niet maakte. Deze laatste gebruiker heeft een volstrekt ander beeld van hoe de wereld eruitziet en wat er te koop is.

Met al deze ongelijke, soms onzichtbare en manipulatieve krachten is het onhoudbaar om individuen aan te spreken vanuit het simplistische vertrekpunt ‘duurzaamheid is een keuze’, of ‘met je portemonnee bepaal jij wat de industrie doet’.

Elitaire manier van de wereld verbeteren

Een klimaatcrisis afwenden vergt van hogerhand afgedwongen, radicale systeemwijziging. Wat consumentenactivisten zelf niet doorhebben, is dat ze met hun gedachtengoed pleitbezorgers zijn van het systeem dat ze denken te bestrijden. Dat systeem gedijt bij een wereldbeeld waarin mensen niet meer worden gezien als burgers, maar als consumenten, op een planeet genaamd Vrije Markt. Portemonneestrijders gaan mee in de mythe van de Maakbare Mens, die anno 2019, leven en welzijn met zijn eigen handelen vormgeeft.

Die individualistische ‘alles is je eigen schuld of verdienste’-filosofie was ooit voorbehouden aan de conservatieve hoek, van Reagans American Dream tot Thatchers ‘There’s no such thing as society’, maar is inmiddels over de hele linie geaccepteerd, met de linkse intelligentsia niet zelden als fanatiekste fakkeldragers. Zoals de poepchique moderecensente van The New York Times, Vanessa Friedman, die recent in een interview over de milieuvervuilende fast fashion verzuchtte: ‘De grote vraag is: hoe krijgen we consumenten zo ver dat ze gaan nadenken over wat ze kopen? Dat ze zich realiseren dat één T-shirt van 20 dollar langer meegaat dan tien shirts van 2 dollar per stuk.’

Het is een nogal exclusieve, elitaire manier van de wereld verbeteren, want niet iedereen heeft de mogelijkheid met zijn portemonnee te praten. Safran Foer, Friedman en hun bevoorrechte club geloofsgenoten zijn daarin een minderheid op deze wereld.

Lees ook De Grenfell-toren: symbool voor de zwarte ziel van de samenleving 27 juni 2017

Een inktzwart voorbeeld van wat er gebeurt als je mensen louter als consument ziet, was de brand in de Grenfelltoren op 14 juni 2017. In een chique wijk in Londen hadden de meeste bewoners hun bestaan met een goedgevulde portemonnee succesvol en veilig vormgegeven. De rood-witte Victoriaanse huizen waren uitgerust met fatsoenlijke brandmelders, vuurwerende isolatie en functionerende nooduitgangen. Daarbovenuit rees een betonnen torenblok voor de armen.

Precies de groep die, als burger én als consument, tussen wal en schip viel: de staat voelde zich, na de decennialange uitholling van haar publieke taken, niet langer verantwoordelijk voor hun welzijn, en de vrije markt kon niets aan ze verdienen. Een rits private onderaannemers, gefocust op tijdsbesparing en kostenverlaging in verband met winstmaximalisatie, renoveerde het gebouw, met falende rookmelders, vuurversnellende panelen en niet geteste brandblussers als resultaat. Die bewuste nacht verbrandden zeker tachtig mensen levend.

Consumentenactivisme gaat eraan voorbij dat er ontzettend veel mensen zijn voor wie er geen keuze bestaat tussen een shirt van twee of twintig dollar, tussen eenmaal of driemaal daags vlees. Sterker nog: de groep die zo verontwaardigd doet over andermans koopgedrag houdt er zelf een lifestyle op na die meestal vervuilender is dan die van een minder welvarend persoon met al zijn ‘foute’ keuzes.

Een bijstandsmoeder op driehoog-achter die bij Primark winkelt, op een oude brommer rijdt en eens per week plofkip serveert, heeft een kleinere footprint dan de gemiddelde schrijver van een duurzaamheidsboek, met alle diners, sprekersevenementen, social gatherings en sponsordeals met ‘duurzame’ productlijnen. Dat deze laatste de eerste de les leest, is een gotspe.

Als je dat principe naar wereldschaal opblaast, wordt het nog gekker. De geglobaliseerde vrije markt heeft westerse landen rijkdom gebracht en miljoenen mensen in ontwikkelingslanden uit de armoede getild. Mensen voor wie dingen als vlees eten, autorijden, kleding kopen en andere uitingen van westers consumentisme voor het eerst bereikbaar zijn geworden. En dan, na er decennialang zelf van te hebben geprofiteerd, houden een paar snobs een stopbord omhoog. Met serieuze boeken, artikelen en debatavonden over hoe opkomende landen meer aan overbevolking zouden moeten doen en hoe ‘iedereen zijn steentje moet bijdragen’ om de wereld te redden.

Feit is dat de bovenste, rijkste helft van de landen op aarde verantwoordelijk is voor 86 procent van de totale CO2-uitstoot. De rijkste mensen zijn 175 maal vervuilender dan de armste 10 procent, en de komst van enkele miljarden mensen meer in laag-inkomenlanden zou voor maar een paar procent meer uitstoot zorgen. Feit is ook dat het juist de meest kwetsbaren zijn die het eerst en het ergst worden geraakt door de gevolgen van klimaatverandering – droogte, orkanen, overstromingen of ontbossing.

‘O nee, die mensen bedoel ik niet,’ krabbelen consumentenactivisten vaak terug als je ze dit voorlegt. Maar zo werkt een theorie niet. Als je iets met veel bombarie poneert als oplossing en publiekelijk oproept tot actie, kun je daarna niet stellen dat je je eigenlijk alleen tot je eigen vriendenkring richtte. ‘Die mensen’, met een andere portemonnee of uit een ander land, lezen ook boeken, kranten en Instagramposts. ‘Die mensen’ vallen ook ten prooi aan de schaamtecultus die consumentenactivisten over ze uitspreken. En ‘die mensen’ hebben, consument of niet, als burgers ook recht op bescherming tegen de uitwassen van een systeem dat door consumentenactivisme alleen maar langer buiten schot blijft.

Lees ook Spot maar met activisten – tot het water aan je lippen staat 8 maart 2019
Consumentenactivisme als bliksemafleider

Overstappen op een plantaardig dieet, zoals Safran Foer wil? Beter gemaakte, duurdere kleding kopen, zoals Friedman wenst? Ik zal het een kleine groep bofkonten in mijn omgeving zeker aanraden; zij die het geld hebben om tegen de meerderheid van alle aangeboden producten nee te zeggen, en de tijd zich over alle productieketens en hun bijbehorende voetafdruk in te lezen.

Maar als reactie op de klimaatcrisis is consumentenactivisme slechts een bliksemafleider die burgerrechten uitholt, geld kost dat ook elders besteed had kunnen worden en zich conformeert aan het systeem dat ons op dit punt gebracht heeft. Het beschamen van mensen op grond van hun koopgedrag getuigt bovendien van een misplaatste morele superioriteit, die onrecht en ongelijkheid eerder vergroot dan verkleint. Terwijl burgers onderling de pijlen op elkaar richten, versterken de meest schadelijke industrieën jaarlijks hun macht en leunen overheden in hun klimaatakkoorden steeds meer op de trend van individuele verantwoordelijkheid.

Juist de mensen die nu hun doempreken uitspreken over andermans koopgedrag kunnen we, met hun bereik en invloed, goed gebruiken. Maar dan wel voor een minder veilige manier van actievoeren dan ze gewend zijn. Een manier die meestal geen ‘partnerships’ oplevert, sprekersuitnodigingen of interviews. Mensen die zich rechtstreeks uitspreken over industrie en overheid worden namelijk daadwerkelijk als een dreiging gezien en houden daar in veel gevallen eerder vijanden dan een verdienmodel aan over. Kijk naar longarts Wanda de Kanter, met haar strijd tegen de tabaksindustrie en laakbaar overheidsbeleid, Evgeny Morozov, die de almacht van techbedrijven en de laffe respons van de politiek aanvalt of Olivier van Beemen die de corrupte praktijken van Heineken onthulde.

Systeemkritiek klinkt misschien vaag en ongrijpbaar, terwijl ‘ethisch’ eten en shoppen een prettig gevoel geeft; het onmiddellijke idee dat je iets bijdraagt. Maar er zijn voldoende concrete gevechten aan te gaan. Denk aan het ombuigen van subsidie- en investeringsstromen; de ontsluiting van algoritmen en de mogelijke inzet ervan ten behoeve van duurzaamheid; het ontbloten en reguleren van lobbyactiviteiten; een discussie over advertentie-inkomsten door dezelfde media die de noodklok luiden over de klimaatcrisis; of het verlenen van legitimiteit aan vervuilende of manipulatieve industrieën door middel van greenwashing.

Laten we de schaamtecultus ten aanzien van individuen die niet de ‘juiste’ keuzes maken beëindigen, en ruchtbaarheid geven aan het feit dat de meeste mensen wel degelijk duurzamer zouden willen leven, maar dat niet voor elkaar krijgen vanwege omgevingsfactoren die bewust door bedrijfsleven en politiek in stand worden gehouden.

Want alle goede bedoelingen ten spijt: elk boek, elk artikel en elke dag méér besteed aan consumentenactivisme leidt niet alleen af van het werkelijke probleem, maar ook van de oplossing.

Het bericht Nee, een duurzame wereld begint niet bij jezelf. Een pleidooi tegen consumentenactivisme verscheen eerst op Vrij Nederland.

https://www.vn.nl/pleidooi-tegen-consumentenactivisme/

De hipste e-bikes ooit gezien (Telegraaf)

De opmars van e-bikes leidt tot een explosie van nieuwe merken en types. We testten er twee, maar verbaasden ons vooral over de diversiteit van het totale aanbod.

Regelmatig grasduinen we op sites op zoek naar nieuwe tweewielers. Op sites als Evnerds.com zie je de gekste e-bikes en andere voertuigen. Ze hebben vaak zo’n futuristisch design dat je je afvraagt of ze wel geschikt zijn voor de wereld van 2019.

Dat blijkt bij sommige aanbiedingen wel degelijk het geval, want ook op gewone sites als Speurders en andere marktplaatsen kom je deze leuke alternatieven al tegen. Het is alleen niet altijd duidelijk wat voor tweewieler het precies is en of deze ook in Nederland is goedgekeurd.

Voor een gewone e-bike die niet sneller kan dan 25 km/u is dat niet zo’n issue, want daarvoor geldt geen kenteken- of keuringsplicht. Wel wil je weten hoe het zit met al die trendy e-steps of het vouwfietsje dat wij probeerden. Die laatste heeft bijvoorbeeld handgas waarmee je zonder trappen toch vooruitgaat. Is het dan niet toch een snorfiets?

„Er is veel onduidelijkheid en de regelgeving is nog in ontwikkeling”, zegt Floris Liebrand, woordvoerder van de RAI-Vereniging, belangenbehartiger van de fietsbranche. „We moeten ons hierbij wel afvragen hoe het zit met de bouwkwaliteit. Ook van de accu’s. Uiteindelijk gaat het natuurlijk om de veiligheid.”

Op de site vraaghetdepolitie.nl staan al de nodige antwoorden over bijvoorbeeld elektrische steps. Die worden gezien als snorfiets maar mogen niet sneller gaan dan 18 km/u, de bestuurder moet zestien jaar zijn en step moet verzekerd zijn. Gaat de step wel sneller, dan noemt men het een motorstep en is het een snor- of bromfiets. Hiervoor moet de bestuurder een rijbewijs hebben en de step zelf een type-goedkeuring hebben.

Model: EBKE - Prijs € 895

Het eerste alternatief dat we proberen als aanvulling op de auto of het openbaar vervoer is de EBKE. Het is een kleine, hip ogende vouwfiets met een elektromotor. Het leuk gevormde frame is gemaakt van een aluminiumlegering en het fietsje weegt inclusief accu 17,5 kg. Benieuwd naar de uitslagen van deze test? Klik dan hier en lees de Nationale Fietstest van De Telegraaf.

Model: Coolrider E-Fatbike - Prijs € 1995

Toen we overstapten van de kleine EBKE-vouwfiets op deze Coolrider E-Fatbike, was het verschil natuurlijk enorm, maar ook ten opzichte van gangbare e-bikes is deze fatbike een reus. Met de grote banden en het robuuste frame heeft hij wel wat van een vintage motorfiets. Ook benieuwd naar de uitslagen van deze test? Klik dan hier en lees de Nationale Fietstest van De Telegraaf.

https://www.telegraaf.nl/vrij/3533165/de-hipste-e-bikes-ooit-gezien