De apocalyps-verzekering van de superrijken (OneWorld)

https://www.oneworld.nl/app/uploads/2021/03/asha-ten-broeke-875x505.jpg

De ultrarijken, die zichzelf naar de ruimte laten vliegen en apocalyps-huizen kopen voor ‘je weet maar nooit’, hebben enorme invloed op de klimaatcrisis. Zij blijven te veel buiten schot, zegt Asha ten Broeke.

Ruim een week nadat de thermometers in het Canadese plaatsje Lytton bijna de 50 graden aantikten om vervolgens tot as te vergaan in een verwoestende bosbrand, vloog de Britse miljardair Richard Branson met zijn eigen schip de ruimte in. Een transportvliegtuig bracht hem met zijn bemanning naar 15 kilometer hoogte, waar ze VVS Unity lanceerden, die steeg naar 80 kilometer om de inzittenden op vier minuten gewichtloosheid te trakteren.

‘Welkom bij de dageraad van een nieuw ruimtetijdperk’, twitterde Branson. Het tijdperk, welteverstaan, waarin hij op deze manier andere stinkend rijke luitjes een peperdure ruimtereis gaat verkopen. De opbrengst van de kaartjes – zo’n 200.000 euro per stuk – is voor hem. De kosten van de CO2-uitstoot van deze tripjes zijn voor ons allemaal.

De rijken zullen praktisch overal welkom zijn, vluchtelingen bijna nergens

In dat licht is het meer dan een tikje cynisch dat Branson zijn ruimteschip ‘Unity’ heeft genoemd. Want van eenheid is nauwelijks meer sprake. De klimaatcrisis creëert twee klassen: de rijken en superrijken die de hoogste bijdrage leveren aan de uitstoot van broeikasgassen, en de arme en gemarginaliseerde mensen die er de hoogste prijs voor betalen. Zoals in Lytton, waar de First Nations – de oorspronkelijke bewoners van Canada die niet tot de Inuit of de Métis behoren – het zwaarst geraakt werden door een verzenging die op een 1,2 graden koelere aarde nagenoeg onmogelijk was geweest.

Het is een tweedeling die je ook zult zien als de opwarming van de aarde mensen van huis gaat verdrijven, schreef klimaatwetenschapper Peter Gleick vorige week in The Guardian. Welgestelden vragen hem of ze hun huis in Zuid-Californië niet beter kunnen verruilen voor een mooie woning aan de kust van Oregon of Washington, vanwege de stijgende zeespiegel, extreme hittegolven en bosbranden. Hier zien we dezelfde twee klassen: rijke mensen die kunnen verhuizen, weg van de gevolgen van een klimaatcatastrofe, en mensen die zich zo’n vastgoedwissel niet kunnen veroorloven en dus moeten vluchten. Om het extra schrijnend te maken, zullen de rijken praktisch overal welkom zijn, en vluchtelingen bijna nergens.

Superrijken weten: wanneer het echt misgaat wacht er een hoog, droog en zelfvoorzienend landgoed op ze

Zo is het nu al. Neem Nieuw-Zeeland: een land dat nauwelijks vluchtelingen opneemt, maar waar heel rijke buitenlanders met een miljoeneninvestering hun verblijfsrecht kunnen kopen. En dat doen ze ook in groten getale, blijkt uit een artikel in de New Yorker. Hedgefonds-managers van over de hele wereld kopen er landingsbanen en grond. Reid Hoffman, medeoprichter van LinkedIn, vertelde dat een optrekje aldaar onder superrijken geldt als een soort ‘apocalyps-verzekering’. ‘Zeggen dat je ‘een huis gaat kopen in Nieuw-Zeeland’ is een soort van knipoog, knipoog, wij weten genoeg.’

Het is niet moeilijk om te zien hoe zo’n apocalyps-verzekering roekeloosheid in de hand werkt. Superrijken kunnen zorgeloos doorgaan met hun niet geringe aandeel in het verwoesten van de planeet – investeren in olie, miljarden opstrijken uit vervuilende bedrijven, hun ego’s stutten met zelfgebouwde ruimtevaartuigen – want ze weten dat wanneer het echt misgaat, ze in hun privévliegtuig kunnen stappen en dat er in Nieuw-Zeeland een hoog, droog en zelfvoorzienend landgoed op ze wacht.

Terwijl gemarginaliseerde mensen afzien, denken de rijken vooral aan hun geld

En toch blijft deze groep in het klimaatdebat vaak buiten schot. Waar rechts preekt over eigen verantwoordelijkheid en links het heeft over het ‘het kapitalistische systeem’, blijven de superrijken buiten beeld. Terwijl zij aan veel knoppen draaien. Ze hebben de macht die komt met echt groot geld: hun investeringen en bedrijven beïnvloeden de economie, hun politieke donaties en connecties verzekeren hen ervan dat als zij bellen, ministers en presidenten luisteren naar wat ze te zeggen hebben.

Vorige week was het meer dan 33 graden in Samenland, op het randje van de poolcirkel. De klimaatcrisis is hier en nu. En terwijl gemarginaliseerde mensen afzien, denken de rijken vooral aan hun geld en aan zichzelf, en politiek leiders denken vooral aan de rijken. Het is hoog tijd om dit patroon te verstoren. Wil de klasse zonder vermogen of invloed een faire kans hebben wanneer de opwarming van de aarde catastrofaal wordt, dan moeten we nu de macht van het geld breken.

Hoe ‘het recht om uit te stoten’ een miljardenhandel werd

‘Klimaatalarmist’ Pier Vellinga: ‘Mensen wilden me kapot maken’

Asha ten Broeke

Het bericht De apocalyps-verzekering van de superrijken verscheen eerst op OneWorld.

https://www.oneworld.nl/lezen/column/de-apocalyps-verzekering-van-de-superrijken/

RCP8.5: worst case, business as usual of foute voorspelling? (Klimaatverandering blog)

https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2020/02/rcpemissions.png?w=500&h=180

Er woedt al een tijd een pittige discussie onder energie- en klimaatdeskundigen en hun volgers over de RCP-emissiescenario’s, die onder meer zijn gebruikt in het vijfde Assessment Report van het IPCC. Het gaat dan met name over het hoogste scenario, RCP8.5. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat we hier te maken hebben met wat Stephan Lewandowsky ooit “seepage” noemde: een pseudosceptisch frame dat binnensijpelt in de wereld van de wetenschap. Dat pseudoscpetische frame komt er op neer dat RCP8.5 een foute voorspelling is. Dat is nonsens.

Scenario’s zijn geen voorspellingen. Er wordt juist met verschillende scenario’s gerekend omdat de menselijke keuzes grotendeels bepalend zullen zijn voor de toekomstige emissies en concentraties van broeikasgassen onvoorspelbaar zijn. Het simpele feit dat er uiteenlopende scenario’s zijn die onmogelijk allemaal uit kunnen komen zou voldoende moeten zijn om te beseffen dat ze niet bedoeld zijn als voorspelling. Maar toch blijft de suggestie van de foute voorspelling, van de overdreven pessimistische klimaatwetenschap, maar terugkomen. Het spiegelbeeld van die suggestie, dat klimaatwetenschappers veel te optimistisch zouden zijn omdat in onderzoeken ook vaak het laagste scenario RCP2.6 wordt meegenomen, zie je zelden of nooit. En dat terwijl de werkelijke emissies nog altijd een stuk dichter bij het hoogste dan bij het laagste scenario liggen, zeker als ook emissies van ontbossing worden meegenomen.

https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2020/02/epe0okcuyaaqgki.jpg?w=500&h=196

Het tekent de moeite die de maatschappij en de wetenschap blijken te hebben met het benoemen van risico’s. En de gevoeligheid die er nog steeds is voor het verwijt van bangmakerij. Het is natuurlijk ook een lastige kwestie, omdat mensen zo verschillend reageren op informatie over risico’s. De communicatie hierover blijft dan ook een mijnenveld, tussen wetenschappers onderling én tussen wetenschap en maatschappij.

Zeke Hausfather en Glen Peters begaven zich deze week in dat mijnenveld, met een commentaar in Nature. Het leverde nogal tendentieuze koppen op, onder meer bij de BBC en in De Volkskrant. En hoewel Hausfather en Peters zeker een aantal zinnige punten maken, is de angst om weggezet te worden als paniekzaaier tussen de regels door wel te zien in hun stuk. Ik betwijfel of die angst een goede raadgever is.

Een belangrijk punt van Hausfather en Peters is het zorgvuldig benoemen en omschrijven van een scenario als RCP8.5. De omschrijving “business as usual” die nogal eens wordt gebruikt vinden ze niet correct. En daar hebben ze zeker een punt. Overigens hebben de ontwikkelaars van de RCP-scenario’s en het IPCC die omschrijving ook nooit gebruikt. Maar in wetenschappelijke artikelen en berichten in de media komt hij wel regelmatig voor. Vooral uit gewoonte, zo vermoed ik. “Business as usual” was in het verleden namelijk wel een voor de hand liggende benaming voor het hoogste scenario, dat uitging van de groei van emissies zonder enig klimaatbeleid. In het eerste IPCC-rapport, uit 1990, werd die benaming bijvoorbeeld gebruikt. Maar de wereld zag er destijds anders uit. Er waren nog geen internationale klimaatafspraken, laat staan dat er ook maar iets was dat op het begin van een energietransitie leek. Er was ook maar bar weinig reden om aan te nemen dat zo’n transitie zonder internationaal klimaatbeleid op gang zou komen. Een beleidsarm scenario (in het Nederlands ook wel aangeduid als “autonome ontwikkeling”) zou destijds dus naar alle waarschijnlijkheid neerkomen op de verdere ontwikkeling van een volledig op fossiele brandstof gebaseerde wereldeconomie.

Maar sindsdien is er wel het nodige gebeurd. Het klimaatverdrag van Kyoto uit 1997 was voor sommige landen al een aanzet om voorzichtig met de energietransitie te beginnen, en met het afsluiten van het klimaatakkoord van Parijs sprak de hele wereld een stevige ambitie uit. Natuurlijk valt het nog te bezien of die ook wordt waargemaakt, maar het ligt inmiddels zeker niet meer voor de hand dat “business as usual” neerkomt op een volledig fossiele economie. Er zijn zelfs mensen die menen dat de ontwikkeling naar duurzame technologie en energie inmiddels niet meer te stoppen is, dat het een autonome ontwikkeling zal zijn die ook zonder enig overheidsbeleid door zal gaan. Het “usual” in “business as usual” heeft geen eenduidige betekenis meer en dus is het geen goed idee om zo’n verwarrende term te blijven gebruiken.

Meer moeite heb ik met de suggestie van Hausfather en Peters dat RCP8.5 vaak als het meest waarschijnlijke scenario gepresenteerd zou worden. Naar mijn beste weten wordt in de wetenschappelijke literatuur, en zeker in IPCC-rapporten, geen uitspraak gedaan over welk scenario meer of minder waarschijnlijk is. Het komt wel nogal eens voor dat onderzoeken alleen het hoogste en laagste emissiescenario laten zien, maar dat is best logisch: op die manier krijgt men een beeld van de hele bandbreedte aan mogelijk uitkomsten. Om in te zien dat andere scenario’s tussen die uitersten liggen hoef je ze niet noodzakelijk expliciet mee te nemen.

En als een onderzoek alleen het hoogste scenario bekijkt betekent dat nog niet dat men dat scenario ook tot het meest waarschijnlijke uitroept. Er kunnen andere legitieme redenen voor zijn. Wetenschappelijk gezien kan het simpelweg interessant zijn om het effect van een ingrijpende verandering door te rekenen. Neem, ter vergelijking, het voorbeeld van een productontwikkelaar die een nieuw additief voor, pak ‘m beet, een wasmiddel onderzoekt. Bij de eerste experimenten zal zo iemand een flinke dosis toevoegen, om daarmee direct een duidelijk beeld te krijgen van het effect. Bij een lage dosis beginnen is niet handig, want dan weet je nog niks als er geen effect te zien is. Dat klimaatonderzoekers regelmatig eenzelfde benadering kiezen voor modelexperimenten is alleen maar logisch: zo kunnen ze in één keer zien of een verwacht effect zich voor zou kunnen doen. Aanvullend onderzoek kan vervolgens eventueel meer de nuances opzoeken. Dat heeft niets met overdrijving of pessimisme te maken. Zo’n onderzoek een beetje handig presenteren is dan natuurlijk wel belangrijk.

De onderliggende boodschap van Hausfather en Peters lijkt te zijn dat scenario’s realistischer moeten zijn. Ik heb daar mijn twijfels over. Omdat daarmee in mijn ogen de grens tussen voorspelling en scenario vervaagt. Dat zou de verwarring juist in de hand kunnen werken. Het is ook maar de vraag of toekomstige emissies en concentraties wel zo voorspelbaar zijn als Hausfather en Peters lijken te denken. Dat is een kanttekening die ook Michael Mann maakt. Daarbij wijst hij op nog een belangrijk punt: de C in RCP staat voor “concentration”. Hoeveel de CO2-concentratie nog zal stijgen hangt niet alleen af van onze emissies, maar ook van mogelijke terugkoppelingen in de koolstofcyclus. Denk aan CO2 die vrijkomt bij bosbranden, of bij het ontdooien van permafrost.

Vanuit de risico-benadering is het belangrijk om de volledige bandbreedte aan mogelijke uitkomsten te onderzoeken en niet alleen wat, al dan niet terecht, als meest waarschijnlijke uitkomst wordt gezien. En in een risico-analyse wegen juist de worst-case scenario’s zwaar.

Het enige onontkoombare feit in deze discussie blijft dat niemand met zekerheid kan zeggen hoe emissies en concentraties in de toekomst zullen verlopen. De mens is op dit moment de meest onvoorspelbare factor in het klimaat, en dat zullen we nog wel een tijdje blijven.

https://klimaatveranda.nl/2020/02/02/rcp8-5-worst-case-business-as-usual-of-foute-voorspelling/